In de wachtkamer

‘Zitten we allemaal te wachten op een fotootje?’, gilde de donkerharige mevrouw in het ontdekkingsreizigershesje toen ze de wachtkamer binnenkwam. ‘Ik ben net kloar’, lachte de grijzende man met de bollende buik en de stok naar mijn buurvrouw. ‘Je had je been gebroken hè?’, zei die. ‘Is het dan nou weer allemaal goed?’ ‘Dat zal de foto wel uitwijzen’, zei de man, ‘maar volgens de dokter is het goed.’ ‘Maar je ken toch zelf het beste voelen of het allemaal weer lekker sit?’, riep de buurvrouw verbaasd. ‘Jaja’, mompelde de man, ‘selluf denk ik: dat gaat nog helemaol niet, maar ja, als de dokter zegt dat het goed is? Ik kom ook tegen de 67 an, in mei, dus we worden ook een daggie ouder hè? ‘t Hoort ‘r allemaal bij, niewaar?’  ‘Nou, as je weer over de tafel ken springen, kom je maar een bakkie doen, okee?’, riep de buurvrouw en wendde zich vervolgens tot mijn andere buurvrouw, een dikke dochter in luipaardprint die zat te wachten naast een leenrolstoel.

‘Jij sit ‘r ook al effetjes, woar?’  ‘Ja, me vader mot weer noar s’n longen loaten kijkuh’, zei de dikke dochter. ‘Dat duurt wel weer tweeënhalf, drie uur hoor. Zit je so an. En dan met dit weer, lekker klaar mee.’ Haar Utregs was mogelijk nog onvervalster dan dat van mijn buurvrouw. ‘Zit jij ook te wachtuh op een fotootje?’ ‘Ik wach’ op me man’, antwoordde de buurvrouw. ‘Die donderde gisteren in enen van de trap. Hij zit altijd te timmeren daarboven, dus ik dach’, d’r sal wel een blokkie hout naar beneden kommen. Maar nee hoor, lag ‘ie doar met z’n twee meter op dat overloopie. En maar schreeuwen hè? “Me rug, me rug!”, riep t’ie steeds maar. Ik schrok me naar joh. Want ja, wat ken je doen? Hij is twee meter, 120 kilo en ik mankeer zelf ook het één en ander, dus die til je niet zomaar op, woar? Ik bedoel, we worden allemaal een daggie ouder, niet? Nou ja, toen he’k ‘m eerst alles laten bewegen en toen dach’ ik: as ik ‘m eerst maar es dat bed in krijg. Dat ‘ie ken liggen. Dan kunnen we weer es verder kijken. Want om nou 112 te bellen, da’s ook weer zo wat, woar? En we hebben laminaat op de slaapkamer, dus toen heb ik ‘m getrokken. Ging prima. Gelukkig kon ‘ie zelf in bed goan liggen, en toen he’k de dokter gebeld. En nu mot ie dus even een foto laten maken van die rug.’

‘Oh ja’, verzuchtte de luipaardprint. ‘As me vader zou valluh sou ik ‘m ook egnie overeind krijgen. Je hep ‘m gesien, hij weeg’ 130 kilo. En zo benauwd as een maleier. Een buurvrouwtje van me moeder krijg’ tenminste zuurstof, maar ze laten hem gewoon creperen. Belachelijk is het. Hij gaat se moeder achterna hoor. Die ging naar de camping, weet je wel, met d’r zuster en die is toen gestikt.’

‘Ach’, zei de buurvrouw, ‘dat zijn nare dingen hè? Maar hij ging anders wel lopend de röntgenkamer in!’ ‘Joajoa’, antwoorde de dikke dochter, ‘dan mot ‘ie weer indruk maken op de zusters hè? Maar je sel sien hoor, straks komp’ íe naar buiten en dan staat ‘ie te hijgen als een trekpaard. En dan ken ik ‘m weer duwen hoor.’ ‘Komp’ ie dan ook niet meer buiten?’, vroeg de buurvrouw. ‘Ik sien ‘m nooit weer op z’n brommer’. ‘Nee joh, daar ken ‘ie allang niet meer op’, riep de dochter. ‘Hij hep nou een scootmobiel, moar die gebruik’ ie nauwelijks. Hij is veel te dik joh.’

De deur van de röntgenkamer ging open en daar stond vader. Een buik als een te hard opgeblazen skippybal, in korte broek en hemd en vol tatoeages. En zoals zijn dochter al voorspelde kon hij zijn ene voet in witte sportsok en Adidasslipper niet meer voor de andere zetten. Gauw hees zijn dochter hem in de rolstoel en blies de aftocht naar een andere afdeling. Want zijn ‘gastrotechnodingesprikken waren ook nog misluk’, dus dat zou wel weer vloekuh worden’. En vloeken werd het.

Nu wendde mijn buurvrouw zich tot mij. ‘Kind’, zei ze, ‘je kijk’ je ogen uit hè? Ik zie het aan je. Jaha, ‘t zijn allemaal echte Utrechters hoor, die je hier ziet. Ik kom oorspronkelijk uit Sterrenwijk hoor, maar deze mensen komen allemaal uit Wijk C. Dat was niks hoor, vroeger. Ik mocht daar niet komen. “Tot aan de C&A en niet verder hoor!”, sei me moeder dan. Neuh, dat was niks hoor, Wijk C. En weet je wat ze dan zei’en? “Ik kom uit het centrum.” Uit het centrum! Beetje dikdoenerij! Maar nu is Wijk C wel leuk hoor, met al die leuke jonge mensen, enig. En hier zie je mekaar dan allemaal weer terug hè? Want ja we worden een daggie ouder en dan mankeer je nog wel es wat. En dan hoor je veel hoor! Ik zeg altijd maar: ga hier een middagje zitten en je ken een heel boek schrijven.’

Een blog is al een mooi begin.

De jeugd van tegenwoordig

Ik heb al uren plezier vandaag. De schilder van de achterburen staat namelijk al de hele middag luidkeels mee te zingen met zijn bespetterde draagbare radiootje en potdomme, wat heeft die man een lekkere stem. Okee, hij heeft 100% NL op staan, of een vergelijkbare zender met Nederlandstalige kutmuziek, maar toch, ook zijn vertolkingen van Frans Bauer, Gordon en Koen Wauters zijn een lust voor het oor. Ik word er vrolijk van, zijn gezang past bij de mooie lentedag die het vandaag is. Bovendien vind ik het mooi om te zien hoe lekker hij zijn werk vindt. Want anders zou je toch niet zo hard zingen? Geruststellende gedachte.

Maar toen kwamen de buurjongetjes uit school. Vermoedelijk ook geïnspireerd door de zon stortten zij zich vol overgave op het bouwen van een hut in de tuin. Leuk. Aandoenlijk ook. Deed me denken aan vroeger, ofschoon ik nooit een hut in de tuin heb gebouwd. De buurjongetjes hoorden de schilder ook kwelen. Maar in tegenstelling tot mij, moesten zij er niks van hebben. ‘Hee man, hou es op joh!’, hoorde ik ze ineens brullen. En toen ze niet meteen antwoord kregen gilden ze: ‘Wat heb ik nou gezegd, ophouden!’ Ze hebben blijkbaar geen leuke ouders, of daar in ieder geval iets te goed naar geluisterd. Want echt, een paar seconden later hoorde ik het aloude en oerbekende: ‘Ik tel tot drie… en dan hou je op! Eén, twee, drie!’

Nou vraag ik je!? Waar bemoeien die snotjongens zich mee? Laat die man lekker zingen! Gedraag je als een kind en niet als een te wijze volwassene in een te klein lijfje! Ken je plaats! En brul al helemaal niet: ‘En ik wil ook niet dat je fluit, potverdomme’, toen de schilder uiteindelijk zijn gezang staakte en overging in een prachtig gefluit. En denk maar niet dat er een moeder naar buiten kwam om die kutkinderen terecht te wijzen. Natuurlijk niet. De prinsjes die de jeugd van tegenwoordig zijn. En ik word oud. Denk ik.

Vrouw & Fiets

Ik ben trots. Op mijn twee lieve vriendinnen Marijn en Nynke. Want die hebben samen een boek geschreven, dat ik steeds per ongeluk beschrijf als ‘Vouw & Fiets’. Daarmee veroveren ze langzaam de halve wereld, want het ligt hoog opgestapeld bij de Broese, ze waren er mee op de radio én gisteren gaven de dames en hun schaamlippen acte de présence bij Paul de Leeuw.

Het boek heet natuurlijk ‘Vrouw & Fiets’ en is een handboek voor vrouwen die wielrennen of dat willen gaan doen. Het neemt je stapsgewijs mee langs alle wetenswaardigheden die je nodig hebt om een goede fiets te kopen, er lekker op te zitten en hard te kunnen gaan zonder honger, kou of irritante mannen die altijd om het hardst willen. En omdat de meeste vrouwen knopjes, snoertjes en andere vormen van techniek altijd een beetje ingewikkeld vinden en vooral een mooie fiets willen, zeggen Marijn en Nynke gewoon dat je een fiets moet kopen met een Shimano 105 triple erop. Dat is je versnellingssysteem, zal ik maar zeggen. Die heb je in 1000 soorten, maar je moet gewoon deze kopen en dan zit je altijd goed, zeggen Marijn en Nynke. En dat vind ik dan heel geruststellend. Net als dat ze je leren om je eigen band te plakken (door middel van een hilarische fotoserie van Nynke!), maar dat ze er ook bij zeggen dat je voor andere kapotte dingen aan je fiets gewoon even naar de fietsenmaker moet gaan. Ha, fijn.

Opvallend is dat alle interviewers het alleen maar over de schaamlippen van dames willen hebben, die zij volgens het boekje braaf insmeren met vaseline om rauw vlees tussen de benen te voorkomen, net als beklemmingen en andere ongemakken door dat toch wel kleine zadel. Dat heet trouwens een ‘sneutje’, mooi woord, niet? Terwijl er toch potdikkie wel meer moois in ‘Vrouw & Fiets’ staat. Om maar eens even iets te noemen:

‘Mijn benen trapten mechanisch nog hun rondjes, maar in mijn hoofd hoorde ik het complete Urker Mannenkoor vierstemmig ‘Nynke, stap aaaaf, stap aaaaaf, staf aaaaf’ zingen. Ik dacht, als ik nou val, dan lig ik tenminste. Dan komt er vast een ambulance met een lekker zachte brancard waar ik da op mag. Dan ben ik van het hele gezeik af. Maar ik viel niet.’

Of:

‘Een lekkere fluim snuit men bovenlangs. (…) Voor een snottebel in je rechterneusgat duw je met je linkerwijsvinger je linkerneusgat dicht. Je linkerelleboog bevindt zich daarbij ter hoogte van je borst. Je draait je hoofd naar rechts en trekt je rechterschouder een beetje in. Met een korte, krachtige stoot snuit je het snot over je schouder naar achteren. Snot uitsnuiten doet men met overtuiging. Snuit je een beetje lafhartig, dan ontstaat er een sliert en heb je alsnog een slijmspoor op je mouw en/of wang.’

En tot slot:

‘Welke kant moest ik op om in Uithoorn te komen? (…) Ik wikte en woog en dubte. En door dat wikken, wegen en dubben vergat ik helemaal dat ik inmiddels al bijna stil stond. En dat ik mijn schoenen nog niet uit de pedalen had geklikt. Dit probleem merkte ik pas toen ik tergend langzaam omviel. Maar dan ook echt tergend langzaam. Zoals je mensen in films weleens in slow motion op iemand af ziet rennen en met vertraagde stem ‘Noooooooooo’ hoort roepen. Zo riep ik ook ‘nooooooooo!!’ Knullig viel ik om.’

Dus lieve mensen: koop dat boek. Want er staan nog veel meer goede tips en fijne anekdotes in… een heerlijk boek voor in de terrasstoel en dan daarna voor op de fiets. Want, dat moet gezegd, ik krijg er echt enorme kriebelbenen van, van ‘Vrouw & Fiets’. Dus wie weet zoef ik binnenkort ook nog eens richting Uithoorn.

Albert Heijn: opgelet

Gisteren kreeg ik ineens een visioen. Of een déja-vu, zo u wilt. Ik moest ineens verschrikkelijk denken aan de verzameling knijpbeestjes die ik vroeger had. Kent u ze nog? Van die pluizige beertjes, aapjes of andere diertjes, wiens armpjes een wit touw, een plank, het gordijn, de lampekamp of desnoods je neus in een houdgreep hielden. Je kreeg ze op de kermis geloof ik. Of bij de tandarts.

De belangrijkste vraag is natuurlijk: wat is er met mijn knijpbeestjes gebeurd? Of, beter nog, wat is er met de knijpbeestjes in het algemeen gebeurd? Waarom duiken ze nergens meer op, waarom zijn ze nergens meer te krijgen?

Maar wat ik eigenlijk bedoel te zeggen: waarom heeft Albert Heijn er tot nu toe helemaal niet aan gedacht om knijpbeestjes weg te geven bij 10 euro aan boodschappen? Want is er een betere opvolger van het retepopulaire voetbalplaatje of dat andere retroding, de Wuppie, dan het knijpbeestje?

Blof. Of Bløg.

Ze was een jaar of 25. Haar haar was keurig opgestoken met twee bruine haarklemmen en ze droeg een keurige spijkerbroek van een damesmerk waar mijn moeder ook spijkerbroeken van draagt. Daarboven had ze een glanzend zwart truitje aan, dat haar net niet helemaal slanke postuur niet geheel tot zijn recht deed komen.

Helemaal alleen stond ze daar, in een kolkende mensenmassa met aanstekers, camera’s en telefoontjes. Haar lippen bewogen nauwelijks, maar ze zong elk liedje van Bløf woord voor woord mee. Terwijl om haar heen uitgebreide kroeggesprekken werden gevoerd of woest werd meegebruld met de grootste hits van de Zeeuwse band, stond zij roerloos naar ze te kijken. Af en toe kon ze echt niet meer stil blijven staan en zwaaide ze zachtjes met haar rechterarm naar Pascal, de zanger die de liedjes zong die zij elke dag opnieuw beluisterde, eenzaam en alleen op haar kamertje in het grote Utrecht. Ze was het middelpunt van haar eigen droomparadijs en dat was aandoenlijk om te zien.

Dit in tegenstelling tot de rest van het publiek. Dat was nogal ehm… divers. Van grijzende lesbiënnes die de ingetogen liedjes van Bløf met hun gevoelige teksten draaiden tijdens hun voettocht door Ierland, tot vijftigers Jan en Mieke uit Son en Breughel, die ooit een cd van Bløf van hun dochter kregen en het ‘gewoon keigoed’ vinden. Van bierdrinkende dikke dertigers die voor de sfeer en de lol met hun kameraden ook naar concerten van De Dijk en Van Dik Hout gaan, om daar vervolgens twee uur lang aan de bar te gaan staan lullen, tot Miss Etam-dames van het type zeekoe, zoals ze genoemd worden door de roadies van de band, die bij alle concerten van Bløf vooraan staan en na afloop met alle bandleden op de foto willen. En die waren overduidelijk in de meerderheid.

En ja, ik was er ook. Gratis en voor niks. Want een kaartje voor Bløf dat zou ik natuurlijk nooit kopen. Maar ik vond het, alleen al vanuit sociologisch oogpunt, een feest om erbij te zijn.

Ben je geil, of draag je hakken?

‘Hee! Ben je geil?’, vroeg de hooguit achttienjarige jongen met bontkraag, gelhaar en sigaret me, terwijl ik hem voorbij liep op het station in Hilversum. Het was half één ‘s nachts. En ik droeg hoge hakken.

Ik was niet geil, want ik kwam net van mijn werk. Dus dat vertelde ik hem ook. Waar ik naartoe ging, vroeg de jongen vervolgens. ‘Naar Utrecht’, antwoordde ik. ‘Ga je daar uit?’, vroeg hij. ‘Toevallig wel’, zei ik. Het leek me beter de conversatie maar een beetje gaande te houden, want zolang ietwat enge jongens praten, doen ze in ieder geval niets anders.

Hij ging ook uit in Utrecht, vertelde hij, terwijl hij een sigaret van me bietste. Zou ik niet met hem meewillen? Hij zou betalen. Daarop moest ik schamper lachen. ‘Dat kan jij toch helemaal niet betalen?’ Ik geloof dat ik zelfs nog ‘pffft’ zei aan het eind van die zin, maar dat weet ik niet zeker meer. In ieder geval vond de bontkraagadolescent me nu niet meer zo leuk en wenkte dus zijn vriendje, dat een stukje verderop tegen de rookpaal hing. Die kon nauwelijks meer op zijn benen staan, maar wist zich toch zo naast me te manoeuvreren dat zijn schouder de mijne raakte. Aan mijn andere zijde stond de ander. En ik voelde me een heel klein beetje bedreigd.

‘Hij vroeg of je geil was’, begon de dronken vriend. Ik keek eens naar mijn schoenen. Had niet zo’n zin meer in converseren. ‘Wil je een lekker trio?’ ‘Met jullie?’, kaatste ik ongelovig terug. ‘Ik heb geen seks met minderjarigen!’. Het kwam eruit voor ik er erg in had. Dat liet de vriend niet over zich heen gaan. ‘Hoe dichter bij de nul, hoe dikker de lul, wist je dat niet?’, grijnste hij. ‘Ik geloof er niks van’, mompelde ik, terwijl ik voelde hoe ze me allebei van top tot hoge hakken bekeken. En weer terug. Ik wilde heel erg graag dat de trein kwam.

En die kwam. ‘Goh’, zei de meneer bij wie ik voor een beetje veiligheid in de coupé stapte, ‘ze moesten je wel hebben hè?’ Toen ik hem vroeg waarom hij niets gedaan had, bleef het stil.

Maar dan vandaag. Ik stond buiten de drogist mijn fiets open te maken. Ik droeg dezelfde hoge hakken. Op het moment dat ik van de stoep afreed, het fietspad op, werd ik ingehaald door een vrolijke meneer met een rode trui aan op een racefiets. Ineens draaide hij zich om. ‘Hoi!’, riep hij en zwaaide. Ik lachte een beetje schaapachtig en wuifde terug, want ik dacht dat het misschien wel iemand was die ik had moeten kennen maar die ik even niet herkende. Ik fietste door.

Zes meter verder draaide hij zich weer om op zijn zadel. ‘Eh’, begon hij, ‘Wat zie je er leuk uit, zo met die hakken.’ Even later zag ik hem aan de horizon verdwijnen. En ik moest glimlachen. Zo kan het dus ook.

Lieve Kerstboom,

Er moet mij even iets van het hart. Ik zeg het maar ronduit: ik vind je een lelijke verrader. Een lelijke, dure verrader, om precies te zijn. Het begon al met je aanschaf, ergens halverwege december. Dat die zeer aangenaam was, lag niet aan jou, maar aan het sublieme kersterige sneeuwweer en aan mijn gezelschap, dat er, met gevaar voor eigen leven, voor heeft gezorgd dat je heelhuids van het Janskerkhof boven in mijn huis aankwam. Zelf moest je het nogal verpesten, door 45 euro te kosten. 45 euro! Dat is, voor hen die nog terugrekenen, meer dan 100 gulden! Zeg nou zelf, lieve kerstboom, zou jij meer dan 100 gulden uitgeven aan een feestelijk stukje groen in de huiskamer? Nee, dat dacht ik dus ook niet. Maar ik deed het toch wel, want ik snakte als nooit tevoren naar een intieme kerstsfeer in huis, net als vroeger. Daar hoort een grote boom bij, dus zuchtend trok ik mijn portemonnee.

En als het daar dan bij was gebleven? Je leek het in eerste instantie nogal naar je zin te hebben en stond er patent bij:

<a href="http://1.bp Recommended Reading.blogspot.com/_ri-FIqwGkYk/TUmAT4UEHBI/AAAAAAAAB04/08Mlvsuz2Ts/s1600/72074_469596883914_514593914_5792697_2992273_n.jpg” imageanchor=”1″ style=”clear: left; float: left; margin-bottom: 1em; margin-right: 1em;”>

Stralend zelfs, al zeg ik het zelf. Maar daar kwam vrij snel verandering in. Al op de avond van de aanschaf, liet jij zonder enige gêne honderden naalden vallen. En dat bleef je doen. ‘Frrrrrrrt’! hoorde ik dan, als ik de kamer in kwam, even iets uit de boekenkast moest halen, of er op een andere manier ook maar een heel klein beetje luchtverplaatsing was in Huize Huirne. Op dag drie had ik al zeker vier blikken naalden bij elkaar gestofferd. En een sorry van jou kant, ho maar.

Op dag twee besloot je dat honderd brandende kerstlampjes in je onderste takken wel genoeg was, en schakelde je de bovenste helft rücksichtlos uit. Dat ik die net nieuw bij de Blokker had gekocht, deerde je blijkbaar niet. Ik was dan ook volstrekt niet verbaasd dat de nieuwe stekkerdoos geen uitkomst bood.

En ondertussen bleven die naalden maar vallen. Niet alleen als ik bewoog, maar zelfs als ik doodstil op de bank zat, terwijl ik angstvallig mijn adem inhield, hoorde ik het ritmische getik van grotdroge dennennaalden op het laminaat. Ternauwernood wist ik gevoelens van drift in te houden, anders had ik je al vóór de kerst het raam uit geflikkerd. Maar verdrietig was ik wel, intens verdrietig, omdat jij, lieve kerstboom, kennelijk vastbesloten was mij mijn serene ‘vrede op aard’-gevoel te ontnemen, zodat het plaats kon maken voor moordneigingen. Pijn deed het.

Na een week ben ik opgehouden met naalden opvegen, omdat elke per ongelukke tik tegen jou, kerstboom, ervoor zorgde dat je meer naalden uitkotste dan ik had kunnen opruimen. Klaar was ik ermee. Met vegen en met jou. Nog nooit heb ik zo reikhalzend uitgekeken naar 27 december dan dit jaar. Weg moest je, en wel heel snel. En ik wist zeker: volgend jaar neem ik een plastic boom.

Het was een heerlijk gevoel om je na de kerst daadwerkelijk uit het raam te gooien. Ha! Van drie hoog naar beneden, zodat je je lekker pijn zou doen! Dat het ook de enige mogelijkheid was om je naar buiten te krijgen zonder het hele huis en het ganse trappenhuis te bevuilen met die afgrijselijke naalden van je, laat ik gemakshalve even achterwege. Maar zelfs toen je geknakt in een plas in de achtertuin lag, leek je me nog grijnzend aan te kijken. Je was niet dood, al leek het daar toch echt heel erg op, die week bij mij in de huiskamer.

Nee. Je was niet dood. En je was ook niet dood te krijgen, bleek vandaag. Vond je het nou echt nodig om tijdens die maand in de buitenlucht prachtig lichtgroen van kleur te worden? Had je er echt plezier in om knopjes te ontwikkelen en zelfs een paar schattige nieuwe takjes? Moest je nou echt per se verder groeien en bloeien, eenzaam in mijn achtertuin, zonder ook maar een fatsoenlijke kluit om je kont mee te krabben? Moest je mij zo verschrikkelijk erg je vrijheidsdrang tonen? ‘Nee sorry, ik hou er niet van om opgesloten te zijn op 25 m2 in kamertemperatuur. Dan voel ik me zó naar! Oh, doe mij maar de lekkere frisse buitenlucht, met zijn fijne januarikou, dan gedij ik veel beter!’

Newsflash schat. Je bent een kerstboom. Je bent gezaaid, gekweekt en uitgegraven om op kamertemperatuur een beetje mooi te staan wezen, zo tussen 15 december en 5 januari. Zelf nadenken wordt niet op prijs gesteld, snobistisch gedrag al helemaal niet. Met je ‘frrrrrrt!’.

Dus daarom lig je nu in mootjes gehakt in de groencontainer. Wat nou vrijheidsdrang. Vuile verrader.

Liefs van Neeltje

Techniek staat voor niks

Vroeger had je een heel leuk tekenfilmpje, The Jetsons. Volgens mij kwam het al uit de jaren 60, want mijn moeder kende het ook, maar het ging over een gezin in de toekomst. Vader, moeder en twee kinderen. Een beetje Flintstone-achtig, maar dan hun tijd ver vooruit. Vader Jetson ging met een soort vliegende schotel naar zijn werk, met een aktentas onder zijn arm, dat dan weer wel, moeder stofzuigde het huis met een robot en de kinderen speelden verstoppertje achter zwevende objecten. Zo moest de toekomst eruit zien, dacht ik. En dan zou er vast nog wel iets gavers uitgevonden worden, zoals een koelkast die wist wanneer de boter op was en dat dan doorbelde aan de supermarkt. Hoe die nieuwe boter dan vervolgens in de koelkast terecht kwam, daar had ik geen beeld van. Vanzelf, vermoedelijk. Nee, ik verheugde me vooral op de beeldtelefoon. Het leek me het einde om mijn oma in Arnhem te kunnen zien, samen met opa aan de thee in de achterkamer, terwijl ik met haar belde. En heel, heel misschien zou dat ooit wel kunnen, als ik groot was.

Inmiddels heb ik een iPhone 4. Met Facetime. En kan ik iedereen zien die ook een iPhone 4 heeft, terwijl ik met ze bel. Ik heb het nog nooit gedaan, want ineens zie ik de toegevoegde waarde niet meer zo. Waarom moet vriendin X zien dat ik ongewassen en ongeschoren op de bank hang, terwijl ik met haar de essentiële zaken des levens doorneem? En zelfs al ben ik leuk aangekleed, met een vleugje mascara en lippenstift op, dan nog zie je alleen maar dat hoofd, met de witte muur achter de bank op de achtergrond. Ik weet het niet.

Maar gelukkig zijn mijn toekomstdromen nog mooier en fantastischer geworden dan ik ooit had kunnen bedenken, als tienjarig meisje voor de tv. Zo luister ik nu bijvoorbeeld op mijn stereo naar het album ‘Fire needs air’ van Dazzled Kid, oftewel Tjeerd Bomhof, frontman van (het voormalige?) Voicst. Nu draag ik Tjeerd sowieso al een warm hart toe omdat hij de ex is van een voormalig huisgenootje, wat dan toch een band schept, ook al heb ik hem slechts één keer schielijk de douche in zien schieten, maar nu hij op 28 januari dit album uitbrengt is hij echt een vriend voor het leven geworden. U leest het echter goed, het album komt pas op 28 januari uit en volgens de kalender is het nu toch echt pas 22 januari.

Het briljante album staat echter op de Luisterpaal van 3voor12. Dat is al niet meer zo opzienbarend, want we kunnen al een aantal jaren naar ‘albums die eraan komen’ luisteren via deze website, dus dat is inmiddels alweer gewoon geworden. Alleen beschik ik sinds kort dus over die iPhone 4 en een heel tof kabeltje dat ik aan de ene kant in mijn stereo steek en aan de andere kant in de telefoon. En nu komt dat album, dat nog niet in de winkel ligt en ook nog niet illegaal downloadable is, zomaar door mijn eigenste jaren 90-speakers mijn eigenste huiskamer binnen, terwijl ik zit te tikken, loop te stofzuigen, of gewoon de krant lees, alsof ik het zojuist in mijn cd-speler heb gestopt en op ‘play’ heb gedrukt. Techniek staat voor niks. En daar word ik dolgelukkig van.

Ik leef nu in de toekomst van The Jetsons. En die is waarachtig nog mooier dan ze het in de jaren 60 konden bedenken en tekenen. Okee, er zijn dan nog wel geen vliegende schotels om je op voort te bewegen, maar de vliegende auto is aanstaande. En er is de iPad. Een computer, krant, boek, muziekspeler, televisie en fotoalbum in één. De iPad is denk ik alles waar ik ooit over fantaseerde toen ik klein was en over het jaar 2000 fantaseerde. Ik kan niet eens onder woorden brengen wat het bestaan van dit apparaat, met al zijn apps en mogelijkheden, met mij doet. Mooier dan dit wordt het niet, toch? Of wel? Ik ga nog maar even een stukje muziek luisteren. De nieuwe ‘Krach’ staat immers ook op de Luisterpaal. 

Boer Zoekt Vrouw

Ik kom al zes zondagen niet meer buiten. Nu zat ik ook al elke maandag aan de bank vastgeplakt, dus in die zin is het maar goed dat Grey’s Anatomy  alweer een tijdje niet uitgezonden wordt. Kan ik m’n vrienden ook weer eens zien. Enfin, de zondag is voor Boer Zoekt Vrouw. En daarna voor Het Spaanse Schaep. Maar toch vooral voor die arme boeren die maar niet aan de vrouw kunnen komen. De pech is alleen dat het geen enkele zin heeft om daar een grappig stukje over te schrijven. Dat doet Nynke namelijk al. En er is nou eenmaal niemand die beter over Boer Zoekt Vrouw kan schrijven dan Nynke. Kijk zelf maar. Hier.

Fred

De stoep is zijn catwalk, de voorbijgangers zijn publiek. Mijn kapper Fred beheerst een loopje waar BNTM’s-catwalkcoach Maryanna nog een puntje aan kan zuigen. En Fred weet dat de mensen naar hem kijken. Daar geniet hij van. Toen hij nog Jennifer Aniston-haar tot halverwege zijn rug had, keken de mensen het meest. Dit haar, deels van hemzelf en deels uit een pakje, viel Fred alleen erg zwaar. Het zat nooit zoals ‘ie wilde, het pluiste en hij was de hele dag bezig met föhnen en stylen. Om met zijn eigen woorden te spreken: de emotionele druk van zijn haar werd te groot. En als Fred dat zegt, dan is het zo. Uit ieders mond klinkt dit te belachelijk voor woorden, van Fred neem je het onmiddellijk aan.

Nu is Freds haar weer kort en kijken de mensen alleen nog vanwege de foundation op zijn stoppelkin Home Page. Maar Fred kan dat hebben, net als zijn torenhoge hakken. Waarmee hij heupwiegend door de straten gaat. Fred ten voeten uit. I so love him.