Kaas voor kerels

Ik kijk darts. Ik weet niks van darts. Maar omdat ‘we’ nou eenmaal in de finale staan, kijk ik darts. Inmiddels weet ik dat er bij darts na elke set, bestaande uit een leg of vier, vijf, een pauze is en die grijpt RTL7 natuurlijk aan om er een paar reclamespotjes tegenaan te gooien. Een van die spotjes is voor ‘Eru Prestige. Kaas voor Kerels’. Kaas voor kerels! We hebben het hier over smeerkaas hè? Van die veel te zoute plastic troep die alleen peuters op hun brood eten – en zelfs dat nog liever niet. Smeerkaas! Welke zichzelf respecterende ‘kerel’ eet dat!? Los daarvan zou kaas sowieso genderneutraal moeten zijn.

Overigens las ik vandaag ook dat er speciale Mannenthee bestaat. Echt, waarom?

 

Coverstory

IMG_1793Ik schreef een verhaal voor Ouders van Nu. Of eigenlijk schreef ik een cursus Angermanagement voor Ouders voor Ouders van Nu. Uit het leven gegrepen, mag ik wel zeggen. Opvoedcoach en mindful-parentingtrainer Merel Obermeijer, die ik citeer in het stuk, helpt ons af en toen om (het gedrag van) onze kinderen beter te leren begrijpen, om te gaan met onze dochter-die-niet-slaapt en, jawel, ons geduld te bewaren. Die laatste tips kan met name ik goed gebruiken.

En daar kunnen dus fijne artikelen uit komen, die zelfs groot op de cover staan én onderwerp zijn van het editorial. Het is een mooie dag. Als je op het plaatje klikt, kun je het lezen, of onder ‘Artikelen’.

Teilzeitarbeit

rpWe gaan dus naar Berlijn. In de lente. Hoe fijn is dat? Ik ben geselecteerd voor het Journalistenstipendium van het Duitslandinstituut en mag in dat kader twee maanden lang ervaring opdoen op een nieuwsredactie in Duitsland. Even was er sprake van dat ik naar Leipzig zou gaan, om te werken bij de radio, maar het lot was me goed gezind en dus wordt het mijn geliefde Berlijn. En dan mag ik ook nog naar de krant, de Rheinische Post om precies te zijn. Dat vind ik heel leuk, want nu kan ik de ervaring die ik al heb met krantenwerk, verbreden en verdiepen – om het maar eens in sollicitatiebrieftermen te zeggen.

De voorbereidingen voor vertrek zijn in volle gang, want we gaan met zijn allen. En een gezin verhuis je niet zomaar – ook niet voor slechts twee maanden. Dus schroeven we bedjes en boxen uit elkaar, mesten we klerenkasten uit en ruimen we de zolder op. Want ons huis in Nederland is ook nog eens verhuurd. Volgende week begint de taalcursus in een kasteel in Limburg en moet dus alles klaar zijn. Want daarna vertrekken we meteen. Ik slaap er slecht van.

Niet in de laatste plaats omdat het fenomeen ‘parttime werken’, oftewel Teilzeitarbeit niet heel bekend lijkt te zijn in het Duitse bedrijfsleven, zo hoorde ik van een Duitse medestipendiaat. Want op mijn vraag aan de krant hoe het eigenlijk zat met de werkuren en -tijden, kreeg ik mail terug met daarin de glazige vraag wat ik eigenlijk bedoelde met: ‘Bij de NOS werk ik 28 uur per week’. Bij de Rheinische Post werkt men namelijk ’40 Stunden pro Woche plus Überstunden’. Iedereen. En ik dus ook. Oh.

Gelukkig leek de assistente van de hoofdredactrice wel gevoelig voor mijn argument dat ik toch wel erg graag minimaal een dag per week voor mijn kinderen wil zorgen, zoals ik ook in Nederland gewend ben. Dus ze gaan mijn Teilzeitarbeitsversuch nu intern klären. Benieuwd wat het oplevert. Misschien wel een vleugje Hollandse emancipatie over de burelen van de Duitse Rheinische Post.

In de container

PlacentaSlice-300x223‘En, wat willen jullie met de placenta?’, vroeg de verloskundige vlak na de geboorte van onze dochter. Ik lag nog gelukzalig naar haar te kijken, maar werd door deze vraag onmiddellijk terug op aarde geworpen. Mijn geliefde en ik keken elkaar aan. Wat we met de placenta wilden? Eh…?

Toen ik ruim tweeënhalf jaar geleden beviel van onze zoon, in het ziekenhuis, hoefde ik daar helemaal niet over na te denken. Mijn moederkoek ging ‘gewoon’ mee met het medisch afval. Prima. Dat hele ding kon me ook niet zoveel schelen, al was ik blij dat ik ‘m even had kunnen bestuderen en kon zien hoe vernuftig de natuur deze energieleverancier gemaakt had.

Maar deze keer beviel ik thuis, in mijn eigen bed, en ‘moesten’ we dus iets met de placenta. ‘Je zou ‘m kunnen begraven’, opperde de verloskundige. ‘Of opeten!’, geinde de kraamhulp. ‘Zijn er echt mensen die dat doen?’, vroeg ik ongelovig. Zowel kraamhulp als verloskundige waren nog nooit placentaeters tegengekomen, maar ze ontmoetten wel regelmatig mensen die de moederkoek in de tuin begroeven, en er een geboorteboom bovenop zetten.

Ik vond het wel een mooi idee. Maar onze nieuwbouwtuin was nog één grote bonk klei met onkruid; graven was überhaupt niet aan de orde, zelfs niet voor de placenta die onze dochter in leven had gehouden. En eigenlijk vond ik het ook een beetje zweverig. Net als de optie om de placenta gewoon met navelstreng en al aan onze dochter te laten zitten, net zo lang tot ‘ie vanzelf af zou vallen. Een lotusgeboorte noemen ze dat. Tja.

Je kunt ook pillen laten draaien van je moederkoek. Die schijnen goed te werken tegen een postnatale depressie. Wie liever iets tastbaars overhoudt aan de placenta, kan ‘m laten verwerken in een sieraad. Bijzonder, maar meteen weer zoveel gedoe. Want waar bewaar je ‘m in de tussentijd? Tussen de bevroren erwten en broden in de vriezer?

‘Gooi ‘m maar gewoon weg hoor’, lachte ik dapper naar de kraamhulp die nog altijd het teiltje moederkoek vast had. ‘Okee’, zei ze. ‘Dan verpak ik ‘m in meerdere vuilniszakken, want anders gaan er katten mee aan de haal.’ Wacht even, katten!? Mijn geliefde en ik keken elkaar weer even aan. Dat was toch wel een beetje in-our-face, zo. Een placenta weggooien is blijkbaar niet zo eenvoudig als het lijkt. Moesten we dan niet toch…? Nee, we bleven bij ons standpunt. Weg ermee.

En daar ging ‘ie. Verpakt in diverse plastic zakken verdween het ding dat onze dochter negen maanden lang in leven hield in mijn buik, pardoes in de grote bouwcontainer voor onze deur. Want ondergrondse vuilcontainers, die zijn er nog niet in onze nieuwbouwwijk. Daar lag ‘ie, tussen de houten balken, kartonnen dozen en piepschuim platen. En de volgende dag kwam de grote grijparm van de gemeente en die nam onze placenta mee. Naar de vuilnisbelt.

Ik stond voor het raam en keek ernaar. En moest even heel hard slikken. Want het was ineens toch heel erg een stukje van mij en mijn kind, dat daar met zoveel bruut geweld werd opgeruimd. Heel even wenste ik dat ik mijn placenta toch had begraven. Tja.

(N.B. Het stukje placentafilet op het plaatje is dus niet van mij!)

Daar moet ik eens iets mee doen

neeltje.huirne.doodIk heb het weer eens een keertje gedaan hoor. Eventjes ongegeneerd googlen-op-mezelf. Dat moet je niet te vaak doen, maar af en toe is het gewoon heerlijk. En je ontdekt nog eens wat.

Zo blijk ik drie keer op de zoekpagina van nrc.nl te staan. Niet dat je mijn bijdrages kunt lezen wegens betaald, maar toch. Ook zijn er pagina’s die mijn telefoonnummer en de oppervlakte van mijn huis vermelden. Daarvan heb ik mezelf gedelete. En ik zag ook een aantal foto’s van toen ik een heel aantal kilo’s zwaarder was. Eentje mogen jullie ook zien.

Het mooiste vond ik echter dat iemand een heuse verslaggeversbeurt van mij in het Radio 1-journaal geknipt en online gezet heeft. Vanaf een ingesneeuwd Utrecht Centraal berichtte ik de luisteraars over de chaos die er nu nog niet was maar ongetwijfeld nog zou volgen. Luister hier maar.

Ik zou daar eens iets mee moeten doen.

Licht achter het raam

Jaren geleden werd mijn vader geopereerd aan een hernia. Het ziekenhuisraampje waar hij achter lag, kan ik nog altijd precies aanwijzen. Samen met mama en mijn broertje stond ik na het bezoekuur naar dat raampje te zwaaien, ook al wisten we dat papa zijn bed nog lang niet uit kon.

Sindsdien heb ik iets met ziekenhuisraampjes, zeker als het donker is en het licht achter het raam brandt. Omdat ziekenhuisraampjes meestal hoog zitten, zie je vaak niet meer dan een televisie aan het plafond, de rails van het gordijn om het bed en heel soms de papegaai, het handvat waaraan de zieke zich omhoog kan trekken in bed. En natuurlijk het eeuwige aquarelle bloemenschilderijtje aan het voeteneind van het bed.

Maar van de zieke nooit een spoor. En ook niet van het bezoek. Ik stel me altijd zo voor dat de zieke genoeglijk naar Goede Tijden Slechte Tijden ligt te kijken, met een boterhammetje ziekenhuiskaas op schoot en een fles troebele appelsap op het nachtkastje. Aan het oor zo’n plastic oorschelp waar het geluid uit komt en buiten de wereld die gewoon door draait. Of dat de zieke rustig ligt te slapen, met zijn kin op zijn borst gezakt, zijn mond open en zijn echtgenote ernaast, vrolijk tikkend met haar breipennen. Soms fantaseer ik ook dat de zuster binnen komt, op roze Crocs en met haar haar in een kort paardenstaartje, zwaaiend met een thermometer, of voorzichtig balancerend met een kopje thee.

Maar gek genoeg dwalen mijn gedachten later af naar hoe ik eigenlijk denk dat het is. Dat de zieke bleek en met gesloten ogen in bed ligt, de handen gevouwen en een snikkende familie er omheen. Of dat de zieke bijna niet meer rechtop kan zitten van het giftige infuus in haar arm, terwijl ze kaal en walgend kijkt naar het kartonnen kotsbakje op haar schoot. Zo’n ziekenhuisraampje is altijd minder iddylisch dan het lijkt. 

This is not how it works in Holland

‘I take your ticket, of you have to pay thirtyfive euro’s. Do you hear me? You want pay thirtyfive euro’s?’ De conducteur bulderde nogal, in de nachttrein van Amsterdam naar Utrecht. De niet-blanke toerist keek hem verbijsterd achterna, toen hij met grote stappen en het ongestempelde kaartje de coupé verliet. ‘Wait’, riep de toerist zwakjes. Onmiddellijk draaide de conducteur zich om en begon weer te schreeuwen. ‘You bought ticket with no datum. That is not how it works in Holland. I take your ticket and you buy new one in Utrecht.’ ‘But, but…’, sputterde de toerist met het meest onbegrijpende gezicht dat ik ooit had gezien. ‘I bought this ticket from the machine and…’ ‘Niks mee te maken’, spuugde de conducteur, terwijl zijn sikje op en neer bewoog. ‘You have to buy a ticket with a datum, anders I will kick you out of the train. Or do you want a boete of thirtyfive euro’s? No? You don’t want that? Then I take your ticket. Buy a new one. Want I will control your ticket again in Utrecht.’

Exit conducteur. Paniekerig keek de toerist om zich heen. Maar iedereen was te druk met lezen, naar buiten kijken of zich slapend houden. En ik zat een beetje te ver weg. Dus ik ben ook een hufter.

In de wachtkamer

‘Zitten we allemaal te wachten op een fotootje?’, gilde de donkerharige mevrouw in het ontdekkingsreizigershesje toen ze de wachtkamer binnenkwam. ‘Ik ben net kloar’, lachte de grijzende man met de bollende buik en de stok naar mijn buurvrouw. ‘Je had je been gebroken hè?’, zei die. ‘Is het dan nou weer allemaal goed?’ ‘Dat zal de foto wel uitwijzen’, zei de man, ‘maar volgens de dokter is het goed.’ ‘Maar je ken toch zelf het beste voelen of het allemaal weer lekker sit?’, riep de buurvrouw verbaasd. ‘Jaja’, mompelde de man, ‘selluf denk ik: dat gaat nog helemaol niet, maar ja, als de dokter zegt dat het goed is? Ik kom ook tegen de 67 an, in mei, dus we worden ook een daggie ouder hè? ‘t Hoort ‘r allemaal bij, niewaar?’  ‘Nou, as je weer over de tafel ken springen, kom je maar een bakkie doen, okee?’, riep de buurvrouw en wendde zich vervolgens tot mijn andere buurvrouw, een dikke dochter in luipaardprint die zat te wachten naast een leenrolstoel.

‘Jij sit ‘r ook al effetjes, woar?’  ‘Ja, me vader mot weer noar s’n longen loaten kijkuh’, zei de dikke dochter. ‘Dat duurt wel weer tweeënhalf, drie uur hoor. Zit je so an. En dan met dit weer, lekker klaar mee.’ Haar Utregs was mogelijk nog onvervalster dan dat van mijn buurvrouw. ‘Zit jij ook te wachtuh op een fotootje?’ ‘Ik wach’ op me man’, antwoordde de buurvrouw. ‘Die donderde gisteren in enen van de trap. Hij zit altijd te timmeren daarboven, dus ik dach’, d’r sal wel een blokkie hout naar beneden kommen. Maar nee hoor, lag ‘ie doar met z’n twee meter op dat overloopie. En maar schreeuwen hè? “Me rug, me rug!”, riep t’ie steeds maar. Ik schrok me naar joh. Want ja, wat ken je doen? Hij is twee meter, 120 kilo en ik mankeer zelf ook het één en ander, dus die til je niet zomaar op, woar? Ik bedoel, we worden allemaal een daggie ouder, niet? Nou ja, toen he’k ‘m eerst alles laten bewegen en toen dach’ ik: as ik ‘m eerst maar es dat bed in krijg. Dat ‘ie ken liggen. Dan kunnen we weer es verder kijken. Want om nou 112 te bellen, da’s ook weer zo wat, woar? En we hebben laminaat op de slaapkamer, dus toen heb ik ‘m getrokken. Ging prima. Gelukkig kon ‘ie zelf in bed goan liggen, en toen he’k de dokter gebeld. En nu mot ie dus even een foto laten maken van die rug.’

‘Oh ja’, verzuchtte de luipaardprint. ‘As me vader zou valluh sou ik ‘m ook egnie overeind krijgen. Je hep ‘m gesien, hij weeg’ 130 kilo. En zo benauwd as een maleier. Een buurvrouwtje van me moeder krijg’ tenminste zuurstof, maar ze laten hem gewoon creperen. Belachelijk is het. Hij gaat se moeder achterna hoor. Die ging naar de camping, weet je wel, met d’r zuster en die is toen gestikt.’

‘Ach’, zei de buurvrouw, ‘dat zijn nare dingen hè? Maar hij ging anders wel lopend de röntgenkamer in!’ ‘Joajoa’, antwoorde de dikke dochter, ‘dan mot ‘ie weer indruk maken op de zusters hè? Maar je sel sien hoor, straks komp’ íe naar buiten en dan staat ‘ie te hijgen als een trekpaard. En dan ken ik ‘m weer duwen hoor.’ ‘Komp’ ie dan ook niet meer buiten?’, vroeg de buurvrouw. ‘Ik sien ‘m nooit weer op z’n brommer’. ‘Nee joh, daar ken ‘ie allang niet meer op’, riep de dochter. ‘Hij hep nou een scootmobiel, moar die gebruik’ ie nauwelijks. Hij is veel te dik joh.’

De deur van de röntgenkamer ging open en daar stond vader. Een buik als een te hard opgeblazen skippybal, in korte broek en hemd en vol tatoeages. En zoals zijn dochter al voorspelde kon hij zijn ene voet in witte sportsok en Adidasslipper niet meer voor de andere zetten. Gauw hees zijn dochter hem in de rolstoel en blies de aftocht naar een andere afdeling. Want zijn ‘gastrotechnodingesprikken waren ook nog misluk’, dus dat zou wel weer vloekuh worden’. En vloeken werd het.

Nu wendde mijn buurvrouw zich tot mij. ‘Kind’, zei ze, ‘je kijk’ je ogen uit hè? Ik zie het aan je. Jaha, ‘t zijn allemaal echte Utrechters hoor, die je hier ziet. Ik kom oorspronkelijk uit Sterrenwijk hoor, maar deze mensen komen allemaal uit Wijk C. Dat was niks hoor, vroeger. Ik mocht daar niet komen. “Tot aan de C&A en niet verder hoor!”, sei me moeder dan. Neuh, dat was niks hoor, Wijk C. En weet je wat ze dan zei’en? “Ik kom uit het centrum.” Uit het centrum! Beetje dikdoenerij! Maar nu is Wijk C wel leuk hoor, met al die leuke jonge mensen, enig. En hier zie je mekaar dan allemaal weer terug hè? Want ja we worden een daggie ouder en dan mankeer je nog wel es wat. En dan hoor je veel hoor! Ik zeg altijd maar: ga hier een middagje zitten en je ken een heel boek schrijven.’

Een blog is al een mooi begin.

Ben je geil, of draag je hakken?

‘Hee! Ben je geil?’, vroeg de hooguit achttienjarige jongen met bontkraag, gelhaar en sigaret me, terwijl ik hem voorbij liep op het station in Hilversum. Het was half één ‘s nachts. En ik droeg hoge hakken.

Ik was niet geil, want ik kwam net van mijn werk. Dus dat vertelde ik hem ook. Waar ik naartoe ging, vroeg de jongen vervolgens. ‘Naar Utrecht’, antwoordde ik. ‘Ga je daar uit?’, vroeg hij. ‘Toevallig wel’, zei ik. Het leek me beter de conversatie maar een beetje gaande te houden, want zolang ietwat enge jongens praten, doen ze in ieder geval niets anders.

Hij ging ook uit in Utrecht, vertelde hij, terwijl hij een sigaret van me bietste. Zou ik niet met hem meewillen? Hij zou betalen. Daarop moest ik schamper lachen. ‘Dat kan jij toch helemaal niet betalen?’ Ik geloof dat ik zelfs nog ‘pffft’ zei aan het eind van die zin, maar dat weet ik niet zeker meer. In ieder geval vond de bontkraagadolescent me nu niet meer zo leuk en wenkte dus zijn vriendje, dat een stukje verderop tegen de rookpaal hing. Die kon nauwelijks meer op zijn benen staan, maar wist zich toch zo naast me te manoeuvreren dat zijn schouder de mijne raakte. Aan mijn andere zijde stond de ander. En ik voelde me een heel klein beetje bedreigd.

‘Hij vroeg of je geil was’, begon de dronken vriend. Ik keek eens naar mijn schoenen. Had niet zo’n zin meer in converseren. ‘Wil je een lekker trio?’ ‘Met jullie?’, kaatste ik ongelovig terug. ‘Ik heb geen seks met minderjarigen!’. Het kwam eruit voor ik er erg in had. Dat liet de vriend niet over zich heen gaan. ‘Hoe dichter bij de nul, hoe dikker de lul, wist je dat niet?’, grijnste hij. ‘Ik geloof er niks van’, mompelde ik, terwijl ik voelde hoe ze me allebei van top tot hoge hakken bekeken. En weer terug. Ik wilde heel erg graag dat de trein kwam.

En die kwam. ‘Goh’, zei de meneer bij wie ik voor een beetje veiligheid in de coupé stapte, ‘ze moesten je wel hebben hè?’ Toen ik hem vroeg waarom hij niets gedaan had, bleef het stil.

Maar dan vandaag. Ik stond buiten de drogist mijn fiets open te maken. Ik droeg dezelfde hoge hakken. Op het moment dat ik van de stoep afreed, het fietspad op, werd ik ingehaald door een vrolijke meneer met een rode trui aan op een racefiets. Ineens draaide hij zich om. ‘Hoi!’, riep hij en zwaaide. Ik lachte een beetje schaapachtig en wuifde terug, want ik dacht dat het misschien wel iemand was die ik had moeten kennen maar die ik even niet herkende. Ik fietste door.

Zes meter verder draaide hij zich weer om op zijn zadel. ‘Eh’, begon hij, ‘Wat zie je er leuk uit, zo met die hakken.’ Even later zag ik hem aan de horizon verdwijnen. En ik moest glimlachen. Zo kan het dus ook.

Freakshow

Pete and the Pirates zaten in mijn busje. Ik reed ze op Into The Great Wide Open van de watertaxi naar hun hotel. Pete and the Pirates zijn hippe Britse gastjes. Jong nog ook. En leuk. Ze stapten aan wal en waren door het dolle heen: ‘We hebben zeehonden gezien! We hebben zeehonden gezien!’

De volgende middag zouden ze optreden op het festival. Dat leverde een probleem op. Want normaal gesproken krijg je als band alleen je bestelde biertjes en andere versnaperingen op de dag dat je speelt. Maar Pete and the Pirates moesten na hun optreden meteen weg. Bovendien speelden ze midden op de dag. Dan drink je geen bier, zelfs niet als jonge rockster. Maar vanavond, vanavond wilden ze los. Bandjes kijken. Vrouwen versieren. Bier drinken. Konden ze hun biertjes van morgen niet gewoon vandaag krijgen?

Of ik een beetje door kon rijden. Dan konden ze hun spullen droppen in het hotel en meteen naar het festivalterrein. Ze hadden honger. En ze wilden een beetje door eten, zodat ze nog wat leuke bandjes konden zien. ‘De Tallest Man On Earth speelt om half tien’, suggereerde ik. ‘The Tallest Man On Earth?’, vroegen ze in koor. ‘Really? Is the real tallest man on earth playing on this festival?’ Ze keken elkaar eens vertwijfeld aan. ‘What kind of festival is this? A freakshow?’ Pete and the Pirates hadden nog nooit van hun Zweedse collega Kristian Mattson gehoord. Maar wat gaf dat. Ze hadden zeehondjes gezien en met dat bier kwam het vast ook goed.