Sinterklaasliedjes

Sinds vier maanden heb ik een baby. Een jongen. T. is lief, ongelofelijk knap en heel stoer. Ik kan wel een miljoen woorden over hem schrijven en dat ga ik misschien ook nog wel eens doen. Maar ik begin maar eens met en paar woorden. Over Sinterklaasliedjes.

Want daar is iets heel bijzonders mee. Daar kwam ik achter door vriend A. Die kan namelijk niet zingen. Daar kan hij niks aan doen, maar hij kan het niet. Hij kan gewoon niet zo goed wijs houden. En hij kent geen enkel kinderliedje uit zijn hoofd. Leek het.

Want ondanks het feit dat het allemaal niet heel erg vanzelf gaat, zingt A. toch voor onze zoon. Uit volle borst. En weet hij de tekst niet, dan gaat ie hummen. En T. vindt het allemaal prachtig.

Tot het Sinterklaas werd. En T. voor het eerst zijn slofje mocht zetten. Daarbij moest natuurlijk gezongen worden, want anders kwam Sinterklaas niet langs, natuurlijk. Dus daar gingen we, T. en ik. Van ‘Sinterklaas Kapoentje’ via ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ tot het toch wel best moeilijke ‘Oh kom er eens kijken’ en ‘Jongens heb je ‘t al vernomen?’.

En A. zong mee. A. zong alle liedjes woord voor woord en zeer wijsvast, zomaar mee. Er was geen Sinterklaasliedje dat hij niet zomaar uit zijn mouw schudde. ‘Twee emmertjes water halen’, ho maar, maarvoor een ‘Hoor de wind waait door de bomen’ draaide hij zijn hand niet om. Opmerkelijk hè?

Zou het echt komen omdat er na het zingen van een Sinterklaasliedje altijd een beloning wachtte dat A. ze nog allemaal kent, tegen bijna geen enkel gewoon kinderliedje? Heus?

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Paukenist

Ik was bij de vijfde en zesde van Beethoven, in de Doelen in Rotterdam. De koningin was er ook. Dat was vast omdat de 76-jarige dirigent van Het Orkest van de Achttiende Eeuw, dat de hele week alle symfonieën van Beethoven speelde, schuifelend het podium op en af ging. Hij had prins Claus kunnen zijn. Maar hij was Frans Brüggen en dirigeerde, zittend, als een jonge vent.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw maakt muziek zoals ze dat in de achttiende eeuw ook al deden. Zo authentiek mogelijk dus. Met een soort houten hobo en houten fluiten. En drie contrabassen. Die had ik nog nooit in een symfonieorkest gezien, maar dat kan ook aan mij liggen. En alle muzikanten speelden alsof hun leven ervanaf hing. Vooral de fluitiste en de contrabassisten. Die laatsten bewogen met zijn drieeën alsof zij een heuse choreografie hadden ingestudeerd. Bij elke stevige streek boog hun bovenlijf ietsjes naar voren, moest het geluid nog harder, dan boog hun hoofd mee, werd er weer ingehouden dan zwenkten ze weer soepel terug in positie. Prachtig.

En zoals het een waar symfonieorkest betaamt, was er natuurlijk ook een paukenist. Geen goed klassiek stuk zonder een paar stevige hengsten op de trommels, vind ik. Alleen deze paukenist zat er een beetje verloren bij. Frans Brüggen dirigeerde eerst de zesde van Beethoven, oftewel de pastorale. Een stuk van ruim 50 minuten. En de paukenist heeft daarin zegge en schrijve drie keer mogen slaan. Dat deed ie goed hoor, daar niet van. Met zoveel overgave dat de bureaustoel waarop hij zat bij elke slag een stukje omhoog wipte. Alleen, het was maar drie keer. De rest van de tijd zat hij, zijn handen in zijn schoot gevouwen, voor zich uit te staren, of controleerde hij nog één keer of het paukenvel wel goed gespannen was. En nog eens en nog eens. Tijd genoeg.

In de vijfde van Beethoven, dat u allemaal kent (Tatatatááá, tatatatáááá), had de paukenist wat meer geluk. Ik schat dat hij zijn pauken een keer of zeven, acht heeft mogen beroeren. En de rest van het orkest maar blazen, strijken, fluiten en  toeteren.

Dus de vraag die al weken door mijn hoofd spookt is: verdient een paukenist evenveel als een, zeg, violist of fluittist? Hij doet bijna niks! Of is pauken spelen gewoon heeeeel erg moeilijk?

Posted in De vraag van de week, Overpeinzingen | 1 Comment

Licht achter het raam

Jaren geleden werd mijn vader geopereerd aan een hernia. Het ziekenhuisraampje waar hij achter lag, kan ik nog altijd precies aanwijzen. Samen met mama en mijn broertje stond ik na het bezoekuur naar dat raampje te zwaaien, ook al wisten we dat papa zijn bed nog lang niet uit kon.

Sindsdien heb ik iets met ziekenhuisraampjes, zeker als het donker is en het licht achter het raam brandt. Omdat ziekenhuisraampjes meestal hoog zitten, zie je vaak niet meer dan een televisie aan het plafond, de rails van het gordijn om het bed en heel soms de papegaai, het handvat waaraan de zieke zich omhoog kan trekken in bed. En natuurlijk het eeuwige aquarelle bloemenschilderijtje aan het voeteneind van het bed.

Maar van de zieke nooit een spoor. En ook niet van het bezoek. Ik stel me altijd zo voor dat de zieke genoeglijk naar Goede Tijden Slechte Tijden ligt te kijken, met een boterhammetje ziekenhuiskaas op schoot en een fles troebele appelsap op het nachtkastje. Aan het oor zo’n plastic oorschelp waar het geluid uit komt en buiten de wereld die gewoon door draait. Of dat de zieke rustig ligt te slapen, met zijn kin op zijn borst gezakt, zijn mond open en zijn echtgenote ernaast, vrolijk tikkend met haar breipennen. Soms fantaseer ik ook dat de zuster binnen komt, op roze Crocs en met haar haar in een kort paardenstaartje, zwaaiend met een thermometer, of voorzichtig balancerend met een kopje thee.

Maar gek genoeg dwalen mijn gedachten later af naar hoe ik eigenlijk denk dat het is. Dat de zieke bleek en met gesloten ogen in bed ligt, de handen gevouwen en een snikkende familie er omheen. Of dat de zieke bijna niet meer rechtop kan zitten van het giftige infuus in haar arm, terwijl ze kaal en walgend kijkt naar het kartonnen kotsbakje op haar schoot. Zo’n ziekenhuisraampje is altijd minder iddylisch dan het lijkt. 

Posted in Uncategorized | Leave a comment

This is not how it works in Holland

‘I take your ticket, of you have to pay thirtyfive euro’s. Do you hear me? You want pay thirtyfive euro’s?’ De conducteur bulderde nogal, in de nachttrein van Amsterdam naar Utrecht. De niet-blanke toerist keek hem verbijsterd achterna, toen hij met grote stappen en het ongestempelde kaartje de coupé verliet. ‘Wait’, riep de toerist zwakjes. Onmiddellijk draaide de conducteur zich om en begon weer te schreeuwen. ‘You bought ticket with no datum. That is not how it works in Holland. I take your ticket and you buy new one in Utrecht.’ ‘But, but…’, sputterde de toerist met het meest onbegrijpende gezicht dat ik ooit had gezien. ‘I bought this ticket from the machine and…’ ‘Niks mee te maken’, spuugde de conducteur, terwijl zijn sikje op en neer bewoog. ‘You have to buy a ticket with a datum, anders I will kick you out of the train. Or do you want a boete of thirtyfive euro’s? No? You don’t want that? Then I take your ticket. Buy a new one. Want I will control your ticket again in Utrecht.’

Exit conducteur. Paniekerig keek de toerist om zich heen. Maar iedereen was te druk met lezen, naar buiten kijken of zich slapend houden. En ik zat een beetje te ver weg. Dus ik ben ook een hufter.

Posted in Uncategorized | 2 Comments

In de wachtkamer

‘Zitten we allemaal te wachten op een fotootje?’, gilde de donkerharige mevrouw in het ontdekkingsreizigershesje toen ze de wachtkamer binnenkwam. ‘Ik ben net kloar’, lachte de grijzende man met de bollende buik en de stok naar mijn buurvrouw. ‘Je had je been gebroken hè?’, zei die. ‘Is het dan nou weer allemaal goed?’ ‘Dat zal de foto wel uitwijzen’, zei de man, ‘maar volgens de dokter is het goed.’ ‘Maar je ken toch zelf het beste voelen of het allemaal weer lekker sit?’, riep de buurvrouw verbaasd. ‘Jaja’, mompelde de man, ‘selluf denk ik: dat gaat nog helemaol niet, maar ja, als de dokter zegt dat het goed is? Ik kom ook tegen de 67 an, in mei, dus we worden ook een daggie ouder hè? ‘t Hoort ‘r allemaal bij, niewaar?’  ‘Nou, as je weer over de tafel ken springen, kom je maar een bakkie doen, okee?’, riep de buurvrouw en wendde zich vervolgens tot mijn andere buurvrouw, een dikke dochter in luipaardprint die zat te wachten naast een leenrolstoel.

‘Jij sit ‘r ook al effetjes, woar?’  ‘Ja, me vader mot weer noar s’n longen loaten kijkuh’, zei de dikke dochter. ‘Dat duurt wel weer tweeënhalf, drie uur hoor. Zit je so an. En dan met dit weer, lekker klaar mee.’ Haar Utregs was mogelijk nog onvervalster dan dat van mijn buurvrouw. ‘Zit jij ook te wachtuh op een fotootje?’ ‘Ik wach’ op me man’, antwoordde de buurvrouw. ‘Die donderde gisteren in enen van de trap. Hij zit altijd te timmeren daarboven, dus ik dach’, d’r sal wel een blokkie hout naar beneden kommen. Maar nee hoor, lag ‘ie doar met z’n twee meter op dat overloopie. En maar schreeuwen hè? “Me rug, me rug!”, riep t’ie steeds maar. Ik schrok me naar joh. Want ja, wat ken je doen? Hij is twee meter, 120 kilo en ik mankeer zelf ook het één en ander, dus die til je niet zomaar op, woar? Ik bedoel, we worden allemaal een daggie ouder, niet? Nou ja, toen he’k ‘m eerst alles laten bewegen en toen dach’ ik: as ik ‘m eerst maar es dat bed in krijg. Dat ‘ie ken liggen. Dan kunnen we weer es verder kijken. Want om nou 112 te bellen, da’s ook weer zo wat, woar? En we hebben laminaat op de slaapkamer, dus toen heb ik ‘m getrokken. Ging prima. Gelukkig kon ‘ie zelf in bed goan liggen, en toen he’k de dokter gebeld. En nu mot ie dus even een foto laten maken van die rug.’

‘Oh ja’, verzuchtte de luipaardprint. ‘As me vader zou valluh sou ik ‘m ook egnie overeind krijgen. Je hep ‘m gesien, hij weeg’ 130 kilo. En zo benauwd as een maleier. Een buurvrouwtje van me moeder krijg’ tenminste zuurstof, maar ze laten hem gewoon creperen. Belachelijk is het. Hij gaat se moeder achterna hoor. Die ging naar de camping, weet je wel, met d’r zuster en die is toen gestikt.’

‘Ach’, zei de buurvrouw, ‘dat zijn nare dingen hè? Maar hij ging anders wel lopend de röntgenkamer in!’ ‘Joajoa’, antwoorde de dikke dochter, ‘dan mot ‘ie weer indruk maken op de zusters hè? Maar je sel sien hoor, straks komp’ íe naar buiten en dan staat ‘ie te hijgen als een trekpaard. En dan ken ik ‘m weer duwen hoor.’ ‘Komp’ ie dan ook niet meer buiten?’, vroeg de buurvrouw. ‘Ik sien ‘m nooit weer op z’n brommer’. ‘Nee joh, daar ken ‘ie allang niet meer op’, riep de dochter. ‘Hij hep nou een scootmobiel, moar die gebruik’ ie nauwelijks. Hij is veel te dik joh.’

De deur van de röntgenkamer ging open en daar stond vader. Een buik als een te hard opgeblazen skippybal, in korte broek en hemd en vol tatoeages. En zoals zijn dochter al voorspelde kon hij zijn ene voet in witte sportsok en Adidasslipper niet meer voor de andere zetten. Gauw hees zijn dochter hem in de rolstoel en blies de aftocht naar een andere afdeling. Want zijn ‘gastrotechnodingesprikken waren ook nog misluk’, dus dat zou wel weer vloekuh worden’. En vloeken werd het.

Nu wendde mijn buurvrouw zich tot mij. ‘Kind’, zei ze, ‘je kijk’ je ogen uit hè? Ik zie het aan je. Jaha, ‘t zijn allemaal echte Utrechters hoor, die je hier ziet. Ik kom oorspronkelijk uit Sterrenwijk hoor, maar deze mensen komen allemaal uit Wijk C. Dat was niks hoor, vroeger. Ik mocht daar niet komen. “Tot aan de C&A en niet verder hoor!”, sei me moeder dan. Neuh, dat was niks hoor, Wijk C. En weet je wat ze dan zei’en? “Ik kom uit het centrum.” Uit het centrum! Beetje dikdoenerij! Maar nu is Wijk C wel leuk hoor, met al die leuke jonge mensen, enig. En hier zie je mekaar dan allemaal weer terug hè? Want ja we worden een daggie ouder en dan mankeer je nog wel es wat. En dan hoor je veel hoor! Ik zeg altijd maar: ga hier een middagje zitten en je ken een heel boek schrijven.’

Een blog is al een mooi begin.

Posted in Uncategorized | 3 Comments

De jeugd van tegenwoordig

Ik heb al uren plezier vandaag. De schilder van de achterburen staat namelijk al de hele middag luidkeels mee te zingen met zijn bespetterde draagbare radiootje en potdomme, wat heeft die man een lekkere stem. Okee, hij heeft 100% NL op staan, of een vergelijkbare zender met Nederlandstalige kutmuziek, maar toch, ook zijn vertolkingen van Frans Bauer, Gordon en Koen Wauters zijn een lust voor het oor. Ik word er vrolijk van, zijn gezang past bij de mooie lentedag die het vandaag is. Bovendien vind ik het mooi om te zien hoe lekker hij zijn werk vindt. Want anders zou je toch niet zo hard zingen? Geruststellende gedachte.

Maar toen kwamen de buurjongetjes uit school. Vermoedelijk ook geïnspireerd door de zon stortten zij zich vol overgave op het bouwen van een hut in de tuin. Leuk. Aandoenlijk ook. Deed me denken aan vroeger, ofschoon ik nooit een hut in de tuin heb gebouwd. De buurjongetjes hoorden de schilder ook kwelen. Maar in tegenstelling tot mij, moesten zij er niks van hebben. ‘Hee man, hou es op joh!’, hoorde ik ze ineens brullen. En toen ze niet meteen antwoord kregen gilden ze: ‘Wat heb ik nou gezegd, ophouden!’ Ze hebben blijkbaar geen leuke ouders, of daar in ieder geval iets te goed naar geluisterd. Want echt, een paar seconden later hoorde ik het aloude en oerbekende: ‘Ik tel tot drie… en dan hou je op! Eén, twee, drie!’

Nou vraag ik je!? Waar bemoeien die snotjongens zich mee? Laat die man lekker zingen! Gedraag je als een kind en niet als een te wijze volwassene in een te klein lijfje! Ken je plaats! En brul al helemaal niet: ‘En ik wil ook niet dat je fluit, potverdomme’, toen de schilder uiteindelijk zijn gezang staakte en overging in een prachtig gefluit. En denk maar niet dat er een moeder naar buiten kwam om die kutkinderen terecht te wijzen. Natuurlijk niet. De prinsjes die de jeugd van tegenwoordig zijn. En ik word oud. Denk ik.

Posted in Vandaag | Leave a comment

Vrouw & Fiets

Ik ben trots. Op mijn twee lieve vriendinnen Marijn en Nynke. Want die hebben samen een boek geschreven, dat ik steeds per ongeluk beschrijf als ‘Vouw & Fiets’. Daarmee veroveren ze langzaam de halve wereld, want het ligt hoog opgestapeld bij de Broese, ze waren er mee op de radio én gisteren gaven de dames en hun schaamlippen acte de présence bij Paul de Leeuw.

Het boek heet natuurlijk ‘Vrouw & Fiets’ en is een handboek voor vrouwen die wielrennen of dat willen gaan doen. Het neemt je stapsgewijs mee langs alle wetenswaardigheden die je nodig hebt om een goede fiets te kopen, er lekker op te zitten en hard te kunnen gaan zonder honger, kou of irritante mannen die altijd om het hardst willen. En omdat de meeste vrouwen knopjes, snoertjes en andere vormen van techniek altijd een beetje ingewikkeld vinden en vooral een mooie fiets willen, zeggen Marijn en Nynke gewoon dat je een fiets moet kopen met een Shimano 105 triple erop. Dat is je versnellingssysteem, zal ik maar zeggen. Die heb je in 1000 soorten, maar je moet gewoon deze kopen en dan zit je altijd goed, zeggen Marijn en Nynke. En dat vind ik dan heel geruststellend. Net als dat ze je leren om je eigen band te plakken (door middel van een hilarische fotoserie van Nynke!), maar dat ze er ook bij zeggen dat je voor andere kapotte dingen aan je fiets gewoon even naar de fietsenmaker moet gaan. Ha, fijn.

Opvallend is dat alle interviewers het alleen maar over de schaamlippen van dames willen hebben, die zij volgens het boekje braaf insmeren met vaseline om rauw vlees tussen de benen te voorkomen, net als beklemmingen en andere ongemakken door dat toch wel kleine zadel. Dat heet trouwens een ‘sneutje’, mooi woord, niet? Terwijl er toch potdikkie wel meer moois in ‘Vrouw & Fiets’ staat. Om maar eens even iets te noemen:

‘Mijn benen trapten mechanisch nog hun rondjes, maar in mijn hoofd hoorde ik het complete Urker Mannenkoor vierstemmig ‘Nynke, stap aaaaf, stap aaaaaf, staf aaaaf’ zingen. Ik dacht, als ik nou val, dan lig ik tenminste. Dan komt er vast een ambulance met een lekker zachte brancard waar ik da op mag. Dan ben ik van het hele gezeik af. Maar ik viel niet.’

Of:

‘Een lekkere fluim snuit men bovenlangs. (…) Voor een snottebel in je rechterneusgat duw je met je linkerwijsvinger je linkerneusgat dicht. Je linkerelleboog bevindt zich daarbij ter hoogte van je borst. Je draait je hoofd naar rechts en trekt je rechterschouder een beetje in. Met een korte, krachtige stoot snuit je het snot over je schouder naar achteren. Snot uitsnuiten doet men met overtuiging. Snuit je een beetje lafhartig, dan ontstaat er een sliert en heb je alsnog een slijmspoor op je mouw en/of wang.’

En tot slot:

‘Welke kant moest ik op om in Uithoorn te komen? (…) Ik wikte en woog en dubte. En door dat wikken, wegen en dubben vergat ik helemaal dat ik inmiddels al bijna stil stond. En dat ik mijn schoenen nog niet uit de pedalen had geklikt. Dit probleem merkte ik pas toen ik tergend langzaam omviel. Maar dan ook echt tergend langzaam. Zoals je mensen in films weleens in slow motion op iemand af ziet rennen en met vertraagde stem ‘Noooooooooo’ hoort roepen. Zo riep ik ook ‘nooooooooo!!’ Knullig viel ik om.’

Dus lieve mensen: koop dat boek. Want er staan nog veel meer goede tips en fijne anekdotes in… een heerlijk boek voor in de terrasstoel en dan daarna voor op de fiets. Want, dat moet gezegd, ik krijg er echt enorme kriebelbenen van, van ‘Vrouw & Fiets’. Dus wie weet zoef ik binnenkort ook nog eens richting Uithoorn.

Posted in De tip van de week, Sportyspice | Leave a comment

Albert Heijn: opgelet

Gisteren kreeg ik ineens een visioen. Of een déja-vu, zo u wilt. Ik moest ineens verschrikkelijk denken aan de verzameling knijpbeestjes die ik vroeger had. Kent u ze nog? Van die pluizige beertjes, aapjes of andere diertjes, wiens armpjes een wit touw, een plank, het gordijn, de lampekamp of desnoods je neus in een houdgreep hielden. Je kreeg ze op de kermis geloof ik. Of bij de tandarts.

De belangrijkste vraag is natuurlijk: wat is er met mijn knijpbeestjes gebeurd? Of, beter nog, wat is er met de knijpbeestjes in het algemeen gebeurd? Waarom duiken ze nergens meer op, waarom zijn ze nergens meer te krijgen?

Maar wat ik eigenlijk bedoel te zeggen: waarom heeft Albert Heijn er tot nu toe helemaal niet aan gedacht om knijpbeestjes weg te geven bij 10 euro aan boodschappen? Want is er een betere opvolger van het retepopulaire voetbalplaatje of dat andere retroding, de Wuppie, dan het knijpbeestje?

Posted in Overpeinzingen | 1 Comment

Blof. Of Bløg.

Ze was een jaar of 25. Haar haar was keurig opgestoken met twee bruine haarklemmen en ze droeg een keurige spijkerbroek van een damesmerk waar mijn moeder ook spijkerbroeken van draagt. Daarboven had ze een glanzend zwart truitje aan, dat haar net niet helemaal slanke postuur niet geheel tot zijn recht deed komen.

Helemaal alleen stond ze daar, in een kolkende mensenmassa met aanstekers, camera’s en telefoontjes. Haar lippen bewogen nauwelijks, maar ze zong elk liedje van Bløf woord voor woord mee. Terwijl om haar heen uitgebreide kroeggesprekken werden gevoerd of woest werd meegebruld met de grootste hits van de Zeeuwse band, stond zij roerloos naar ze te kijken. Af en toe kon ze echt niet meer stil blijven staan en zwaaide ze zachtjes met haar rechterarm naar Pascal, de zanger die de liedjes zong die zij elke dag opnieuw beluisterde, eenzaam en alleen op haar kamertje in het grote Utrecht. Ze was het middelpunt van haar eigen droomparadijs en dat was aandoenlijk om te zien.

Dit in tegenstelling tot de rest van het publiek. Dat was nogal ehm… divers. Van grijzende lesbiënnes die de ingetogen liedjes van Bløf met hun gevoelige teksten draaiden tijdens hun voettocht door Ierland, tot vijftigers Jan en Mieke uit Son en Breughel, die ooit een cd van Bløf van hun dochter kregen en het ‘gewoon keigoed’ vinden. Van bierdrinkende dikke dertigers die voor de sfeer en de lol met hun kameraden ook naar concerten van De Dijk en Van Dik Hout gaan, om daar vervolgens twee uur lang aan de bar te gaan staan lullen, tot Miss Etam-dames van het type zeekoe, zoals ze genoemd worden door de roadies van de band, die bij alle concerten van Bløf vooraan staan en na afloop met alle bandleden op de foto willen. En die waren overduidelijk in de meerderheid.

En ja, ik was er ook. Gratis en voor niks. Want een kaartje voor Bløf dat zou ik natuurlijk nooit kopen. Maar ik vond het, alleen al vanuit sociologisch oogpunt, een feest om erbij te zijn.

Posted in Leuk leuk | 1 Comment

Ben je geil, of draag je hakken?

‘Hee! Ben je geil?’, vroeg de hooguit achttienjarige jongen met bontkraag, gelhaar en sigaret me, terwijl ik hem voorbij liep op het station in Hilversum. Het was half één ‘s nachts. En ik droeg hoge hakken.

Ik was niet geil, want ik kwam net van mijn werk. Dus dat vertelde ik hem ook. Waar ik naartoe ging, vroeg de jongen vervolgens. ‘Naar Utrecht’, antwoordde ik. ‘Ga je daar uit?’, vroeg hij. ‘Toevallig wel’, zei ik. Het leek me beter de conversatie maar een beetje gaande te houden, want zolang ietwat enge jongens praten, doen ze in ieder geval niets anders.

Hij ging ook uit in Utrecht, vertelde hij, terwijl hij een sigaret van me bietste. Zou ik niet met hem meewillen? Hij zou betalen. Daarop moest ik schamper lachen. ‘Dat kan jij toch helemaal niet betalen?’ Ik geloof dat ik zelfs nog ‘pffft’ zei aan het eind van die zin, maar dat weet ik niet zeker meer. In ieder geval vond de bontkraagadolescent me nu niet meer zo leuk en wenkte dus zijn vriendje, dat een stukje verderop tegen de rookpaal hing. Die kon nauwelijks meer op zijn benen staan, maar wist zich toch zo naast me te manoeuvreren dat zijn schouder de mijne raakte. Aan mijn andere zijde stond de ander. En ik voelde me een heel klein beetje bedreigd.

‘Hij vroeg of je geil was’, begon de dronken vriend. Ik keek eens naar mijn schoenen. Had niet zo’n zin meer in converseren. ‘Wil je een lekker trio?’ ‘Met jullie?’, kaatste ik ongelovig terug. ‘Ik heb geen seks met minderjarigen!’. Het kwam eruit voor ik er erg in had. Dat liet de vriend niet over zich heen gaan. ‘Hoe dichter bij de nul, hoe dikker de lul, wist je dat niet?’, grijnste hij. ‘Ik geloof er niks van’, mompelde ik, terwijl ik voelde hoe ze me allebei van top tot hoge hakken bekeken. En weer terug. Ik wilde heel erg graag dat de trein kwam.

En die kwam. ‘Goh’, zei de meneer bij wie ik voor een beetje veiligheid in de coupé stapte, ‘ze moesten je wel hebben hè?’ Toen ik hem vroeg waarom hij niets gedaan had, bleef het stil.

Maar dan vandaag. Ik stond buiten de drogist mijn fiets open te maken. Ik droeg dezelfde hoge hakken. Op het moment dat ik van de stoep afreed, het fietspad op, werd ik ingehaald door een vrolijke meneer met een rode trui aan op een racefiets. Ineens draaide hij zich om. ‘Hoi!’, riep hij en zwaaide. Ik lachte een beetje schaapachtig en wuifde terug, want ik dacht dat het misschien wel iemand was die ik had moeten kennen maar die ik even niet herkende. Ik fietste door.

Zes meter verder draaide hij zich weer om op zijn zadel. ‘Eh’, begon hij, ‘Wat zie je er leuk uit, zo met die hakken.’ Even later zag ik hem aan de horizon verdwijnen. En ik moest glimlachen. Zo kan het dus ook.

Posted in Uncategorized | 2 Comments