Stop de oorlog tussen borstvoeders en flessenmoeders

1024px-Breastfeeding_a_baby-300x199

ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT ALERT 

Dames, grijp de wapenen! Neem de vechtstand aan! Laat het haar op uw tanden zien en uw spierballen rollen… deze blog gaat over borstvoeding!

In de moederbusiness is er geen onderwerp dat zó veel stof doet opwaaien dan borstvoeding. Borstvoeding versus flesvoeding, wel te verstaan. Er hoeft op internet maar een algemene vraag te worden gesteld over, ik noem maar eens wat, de eerste hapjes en de thread eindigt steevast in een verbeten welles-nietes-discussie over de vraag wat nou beter is: borstvoeding of poedermelk. Altijd.

Zelfs de vraag: ‘welke IKEA-bank is het meest geschikt voor een huishouden met twee peuters en een baby?’, zal via ‘vlekken op de bank’, ‘voeden op de bank’, ‘voeden met de gordijnen open’ en ‘voeden in het openbaar’, verzanden in ‘borstvoeding is goed’ en ‘flesvoeding is slecht’. Of andersom.

Borstvoeding is de godwin van de oudersites. Waar ‘gewone’ online discussies uiteindelijk altijd uitkomen bij Hitler en de holocaust, gaat zo ongeveer elk kinderonderwerp op internet na verloop van tijd uiteindelijk over borstvoeding. En daar kan ik dus niet meer tegen.

Want hoe vreselijk goed de dames ook proberen om open en vriendelijk te blijven en de andere vrouwen vooral niet hun mening op te leggen (‘iedereen moet gewoon doen wat hun (sic) het beste vinden hoor! Maar ík vind…’), dat is dus precies wat er wel gebeurt. Hoe omstandiger en zalvender de borstvoedingsvoorstanders uitleggen dat je kindje het recht heeft om zo vaak als ‘ie wil bij mama te mogen drinken en dat dat gewoon het allergezondst is en vooral ook het natuurlijkst, want dat is bewezen, des te harder gaan de flesvoeders van zich afbijten, omdat ze weken borstvoeding probeerden en uiteindelijk met uiteengereten en bloedende tepels naar de fles grepen, omdat ze kunstmelk nou eenmaal het handigst vinden of omdat het gewoon hun goed recht is om voor poedermelk te kiezen en wie denken die borstvoeders wel niet dat ze zijn?

Uiteindelijk wordt het virtueel matten. Omdat zowel de borst- als de flesvoeders natuurlijk helemaal niet open staan voor de mening van de ander. De borstvoeders voelen zich superieur en de flesvoeders voelen zich schuldig. Denk ik. Want borstvoeden, dat gebeurt al sinds Adam en Eva. Dat gegeven draag je onbewust met je mee. In je genen, ofzo. Dat is iets evolutionairs. Hoe bewust je er dus ook voor kiest je kind te voeden met poedermelk, er blijft onbewust altijd, diep in je achterhoofd en ver in je maag, iets knagen. En daar wordt door de borstvoeders handig op in gespeeld. Keihard peuren ze in dat schuldgevoel, met hun ‘huidhonger’, ‘mamamelk’ en ‘natuurlijke instinct’. En de flessenmoeders slaan even hard terug.

Ik stel voor dat we ermee ophouden. Laat de borstvoeders lekker borstvoeden en de flesvoeders fijn de fles geven. En dan laten we wettelijk vastleggen dat beide keuzes het beste zijn en dat je er in het openbaar niet over mag debatteren. Elke site en elk forum krijgt een speciaal script dat kan zien dat een onderwerp verzandt in een voedingsdiscussie. En dan wordt gewoon het hele zaakje gewist.

Dan kunnen we tenminste weer ontspannen tips uitwisselen over baby’s eerste hapjes (Wortel of spinazie? Drie of vier lepeltjes?), bespreken welke bank het lekkerst zit en welke film je echt moet zien als je een eindelijk een oppas hebt gevonden.

Wat moet dat heerlijk zijn.

Overheidsbemoeienis

Hoe sterk magfoto(1)/moet de overheid zich bemoeien met onze kinderen? Het is een vraag die me al een tijdje bezighoudt en hij drong zich nog meer op na het lezen van het artikel van de Amerikaanse Kim Brooks in de Salon.

Kim moest vlak voor haar vakantie nog één last minute boodschapje doen. Natuurlijk wilde haar zoon van vier per se mee. En uiteraard piekerde hij er bij de winkel niet over om de auto te verlaten, hoe hoog en hoe laag zijn moeder ook sprong. En dus besloot Kim om haar zoon alleen in de auto te laten zitten. Het was een bewolkte dag, geen dertig graden dus, de deuren gingen op slot, zoon was verdiept in een iPad-spelletje en ze zou hooguit vijf minuten weg zijn. Wat kon er gebeuren?

Niets. Althans, niet met haar zoon. Kim werd echter aangeklaagd. Een voorbijganger had haar kind zien zitten en belde de politie. Dat hij niet huilde, niet schreeuwde en niet op de ramen bonsde, maar gewoon lekker zat te spelen, deed niets af aan het feit dat de politiebeller zeker wist dat hij ontvoerd moest zijn. Of een afgrijselijk slechte moeder had, die gestraft diende te worden voor deze vreselijke misstand.

En Kim wérd gestraft. Na een slepende rechtszaak kreeg ze een taakstraf van honderd (!) uur en moest ze een opvoedcursus volgen. En dat puur en alleen omdat ze haar rustig spelende zoon heel eventjes alleen in een gesloten auto had laten zitten. Omdat hij met geen stok de winkel in te krijgen was. Wat had ze dan moeten doen? Haar krijsende kind aan zijn arm de winkel in moeten slepen? Daar was niemand beter van geworden.

Woah. Ik vind het werkelijk ongelofelijk. Waar bemoeit de Amerikaanse overheid zich mee? En hoe zit het eigenlijk in Nederland? Zijn hier regels voor het alleen-in-de-auto-laten van minderjarigen? Ik mag toch hopen van niet. Ik laat mijn zoon ook weleens in zijn eentje achter, als ik heb getankt en moet betalen. Ik ben dan altijd bang dat hij wordt ontvoerd. Maar ik vraag me nooit af of ik wel deug als moeder omdat ik hem eventjes alleen in de auto laat. En dat wil ik me ook nooit hoeven afvragen.

Ik ben dus heel blij dat de Nederlandse overheid zich vooralsnog alleen bezighoudt met de gezondheid, groei en ontwikkeling van mijn zoon. En dat ik de adviezen van het consultatiebureau naar eigen inzicht mag opvolgen. Of naast me neer mag leggen. Het voelt goed dat er af en toe een buitenstaander over mijn schouder mee kijkt.

Maar laat het daar alsjeblieft bij blijven. Want anders blijf ik bladeren vegen en afval prikken.

Mooie naam

RC8OI5zKDe NOS heeft vandaag een peiling gedaan onder de EU-kiezers die wél naar de stembus gingen. Een kwart van hen ziet zijn stem als een stem tegen het kabinet-Rutte en een derde van de stemmers zegt dat zijn stem vooral bepaald is door overwegingen over de Europese politiek. Een op de vijf laat zich vooral leiden door de landelijke politiek.

Ik niet. Ik ging af op iemands naam. Want iemand die Daphne Dertien heet, daar móet je toch gewoon op stemmen?

De mores van de zandbakrand

zandbak-300x225Het is, op zijn zachtst gezegd, wel weer even wennen, zo’n zandbak. Het taartjes bakken en het scheppen, dat heb je zo weer onder de knie. Het is eigenlijk nooit weg geweest, blijkt. Zodra ik het zand weer in mijn handen voelde en het verschaalde plastic van de schepjes rook, was het alsof er nooit dertig jaar tussen mij en de zandbak had gezeten. En dus gaf ik gisteren college over ‘hard zand’ en ‘zacht zand’, terwijl mijn bijna-twee-jarige allang weer bezig was met iets anders.

Het zit ‘m alleen in het feit dat ik nu zelf ouder ben en geen peuter meer. Dat ik niet meer alleen in de zandbak zit om de spelen, maar ook om op te letten. Dat mijn zoon geen zand in andere peuterogen strooit. Schepjes afpakt. Of een duw uitdeelt. Maar ik zit er ook om op te letten dat hij niet geduwd wórdt. Dat er niet iemand met zíjn schepje vandoor gaat. En dat híj geen zanddouche krijgt. En dat vind ik toch best een beetje moeilijk. Want ik ken de mores van de zandbankrand nog niet zo goed.

Vorige week zat mijn zoon heerlijk te graven. Naast hem zat een jongetje, iets jonger dan hij, taartjes te bakken. Hij kon dat goed, dat moet gezegd. Zijn moeder kwam heel vaak kijken en moedigde haar zoon dan vreselijk aan. Toen ging ze naar de wc. En ik zat op de zandbakrand.

In een fractie van een seconde was het gebeurd. Het jongetje presteerde het om eigenhandig al zijn taartjes kapot te maaien. Hij schrok er zelf van en zette een ongelofelijke keel op, terwijl mijn zoon nog steeds onverstoorbaar zat te scheppen.

Daar was moeder. Agossie mannetje toch, zijn al je taartjes kapot, wat naar nou, koeliekoeliekoelie. Een logische reactie als je kind ontroostbaar is. Maar: haar blik ging naar mijn zoon. Ze keek hem vernietigend aan. Daarna keek ze naar mij. Haar ogen stonden zo dat ik meteen wist: ze denkt dat hij het gedaan heeft! Ze denkt echt dat hij het gedaan heeft! Maar hij had het niet gedaan! Moest ik dat gaan zeggen? Moest ik mijn kind verontschuldigen voor iets dat hij dus niet deed? Mocht ik deze stilzwijgende doch valse beschuldiging gewoon over ons heen laten komen, of was er actie vereist? Diende ik voor hem op te komen?

Ik wist het niet. Dus ik zweeg.

En ik weet het stééds niet. Ik weet niet of ik tegen een ouder kind dat mijn zoon van de glijbaan duwt, kan zeggen dat ie daarmee op moet houden. Ik weet ook niet of ik mijn zoon van de schommel moet halen als een meisje komt vragen of ze ook even mag, terwijl hij er pas net op zit. En mag ik mijn kind zomaar bovenaan de glijbaan deponeren als er een ander kindje bezig is wel zelfstandig naar boven te klimmen? Ik weet het niet.

Feit is dat ik wel vaak iets wíl zeggen over het gedrag van andere kinderen. En dat dat heus ook wel geoorloofd is. Maar ik durf het niet. Omdat ik als de dood ben dat er dan een boze, schreeuwende vader op me af komt. Of een hysterische, onredelijke moeder. Of nog erger: dat dat kind zelf tegen mij van leer trekt. Want als dat gebeurt, ben ik weer dat kind in die zandbak dat haar schepje liet afpakken. Dat bang was voor zand in haar ogen. En dat niet voor zichzelf durfde op te komen. En zo wilde ik me nooit meer voelen.

Maar voor mijn zoon is het wellicht toch beter dat ik me die mores van de zandbakrand eens eigen maak.

Sinterklaasliedjes

220px-Sinterklaas_2007Sinds vier maanden heb ik een baby. Een jongen. T. is lief, ongelofelijk knap en heel stoer. Ik kan wel een miljoen woorden over hem schrijven en dat ga ik misschien ook nog wel eens doen. Maar ik begin maar eens met en paar woorden. Over Sinterklaasliedjes.

Want daar is iets heel bijzonders mee. Daar kwam ik achter door vriend A. Die kan namelijk niet zingen. Daar kan hij niks aan doen, maar hij kan het niet. Hij kan gewoon niet zo goed wijs houden. En hij kent geen enkel kinderliedje uit zijn hoofd. Leek het.

Want ondanks het feit dat het allemaal niet heel erg vanzelf gaat, zingt A. toch voor onze zoon. Uit volle borst. En weet hij de tekst niet, dan gaat ie hummen. En T. vindt het allemaal prachtig.

Tot het Sinterklaas werd. En T. voor het eerst zijn slofje mocht zetten. Daarbij moest natuurlijk gezongen worden, want anders kwam Sinterklaas niet langs, natuurlijk. Dus daar gingen we, T. en ik. Van ‘Sinterklaas Kapoentje’ via ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ tot het toch wel best moeilijke ‘Oh kom er eens kijken’ en ‘Jongens heb je ‘t al vernomen?’.

En A. zong mee. A. zong alle liedjes woord voor woord en zeer wijsvast, zomaar mee. Er was geen Sinterklaasliedje dat hij niet zomaar uit zijn mouw schudde. ‘Twee emmertjes water halen’, ho maar, maarvoor een ‘Hoor de wind waait door de bomen’ draaide hij zijn hand niet om. Opmerkelijk hè?

Zou het echt komen omdat er na het zingen van een Sinterklaasliedje altijd een beloning wachtte dat A. ze nog allemaal kent, tegen bijna geen enkel gewoon kinderliedje? Heus?

Paukenist

Ik was bij de vijfde en zesde van Beethoven, in de Doelen in Rotterdam. De koningin was er ook. Dat was vast omdat de 76-jarige dirigent van Het Orkest van de Achttiende Eeuw, dat de hele week alle symfonieën van Beethoven speelde, schuifelend het podium op en af ging. Hij had prins Claus kunnen zijn. Maar hij was Frans Brüggen en dirigeerde, zittend, als een jonge vent.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw maakt muziek zoals ze dat in de achttiende eeuw ook al deden. Zo authentiek mogelijk dus. Met een soort houten hobo en houten fluiten. En drie contrabassen. Die had ik nog nooit in een symfonieorkest gezien, maar dat kan ook aan mij liggen. En alle muzikanten speelden alsof hun leven ervanaf hing. Vooral de fluitiste en de contrabassisten. Die laatsten bewogen met zijn drieeën alsof zij een heuse choreografie hadden ingestudeerd. Bij elke stevige streek boog hun bovenlijf ietsjes naar voren, moest het geluid nog harder, dan boog hun hoofd mee, werd er weer ingehouden dan zwenkten ze weer soepel terug in positie. Prachtig.

En zoals het een waar symfonieorkest betaamt, was er natuurlijk ook een paukenist. Geen goed klassiek stuk zonder een paar stevige hengsten op de trommels, vind ik. Alleen deze paukenist zat er een beetje verloren bij. Frans Brüggen dirigeerde eerst de zesde van Beethoven, oftewel de pastorale. Een stuk van ruim 50 minuten. En de paukenist heeft daarin zegge en schrijve drie keer mogen slaan. Dat deed ie goed hoor, daar niet van. Met zoveel overgave dat de bureaustoel waarop hij zat bij elke slag een stukje omhoog wipte. Alleen, het was maar drie keer. De rest van de tijd zat hij, zijn handen in zijn schoot gevouwen, voor zich uit te staren, of controleerde hij nog één keer of het paukenvel wel goed gespannen was. En nog eens en nog eens. Tijd genoeg.

In de vijfde van Beethoven, dat u allemaal kent (Tatatatááá, tatatatáááá), had de paukenist wat meer geluk. Ik schat dat hij zijn pauken een keer of zeven, acht heeft mogen beroeren. En de rest van het orkest maar blazen, strijken, fluiten en  toeteren.

Dus de vraag die al weken door mijn hoofd spookt is: verdient een paukenist evenveel als een, zeg, violist of fluittist? Hij doet bijna niks! Of is pauken spelen gewoon heeeeel erg moeilijk?

Licht achter het raam

Jaren geleden werd mijn vader geopereerd aan een hernia. Het ziekenhuisraampje waar hij achter lag, kan ik nog altijd precies aanwijzen. Samen met mama en mijn broertje stond ik na het bezoekuur naar dat raampje te zwaaien, ook al wisten we dat papa zijn bed nog lang niet uit kon.

Sindsdien heb ik iets met ziekenhuisraampjes, zeker als het donker is en het licht achter het raam brandt. Omdat ziekenhuisraampjes meestal hoog zitten, zie je vaak niet meer dan een televisie aan het plafond, de rails van het gordijn om het bed en heel soms de papegaai, het handvat waaraan de zieke zich omhoog kan trekken in bed. En natuurlijk het eeuwige aquarelle bloemenschilderijtje aan het voeteneind van het bed.

Maar van de zieke nooit een spoor. En ook niet van het bezoek. Ik stel me altijd zo voor dat de zieke genoeglijk naar Goede Tijden Slechte Tijden ligt te kijken, met een boterhammetje ziekenhuiskaas op schoot en een fles troebele appelsap op het nachtkastje. Aan het oor zo’n plastic oorschelp waar het geluid uit komt en buiten de wereld die gewoon door draait. Of dat de zieke rustig ligt te slapen, met zijn kin op zijn borst gezakt, zijn mond open en zijn echtgenote ernaast, vrolijk tikkend met haar breipennen. Soms fantaseer ik ook dat de zuster binnen komt, op roze Crocs en met haar haar in een kort paardenstaartje, zwaaiend met een thermometer, of voorzichtig balancerend met een kopje thee.

Maar gek genoeg dwalen mijn gedachten later af naar hoe ik eigenlijk denk dat het is. Dat de zieke bleek en met gesloten ogen in bed ligt, de handen gevouwen en een snikkende familie er omheen. Of dat de zieke bijna niet meer rechtop kan zitten van het giftige infuus in haar arm, terwijl ze kaal en walgend kijkt naar het kartonnen kotsbakje op haar schoot. Zo’n ziekenhuisraampje is altijd minder iddylisch dan het lijkt. 

This is not how it works in Holland

‘I take your ticket, of you have to pay thirtyfive euro’s. Do you hear me? You want pay thirtyfive euro’s?’ De conducteur bulderde nogal, in de nachttrein van Amsterdam naar Utrecht. De niet-blanke toerist keek hem verbijsterd achterna, toen hij met grote stappen en het ongestempelde kaartje de coupé verliet. ‘Wait’, riep de toerist zwakjes. Onmiddellijk draaide de conducteur zich om en begon weer te schreeuwen. ‘You bought ticket with no datum. That is not how it works in Holland. I take your ticket and you buy new one in Utrecht.’ ‘But, but…’, sputterde de toerist met het meest onbegrijpende gezicht dat ik ooit had gezien. ‘I bought this ticket from the machine and…’ ‘Niks mee te maken’, spuugde de conducteur, terwijl zijn sikje op en neer bewoog. ‘You have to buy a ticket with a datum, anders I will kick you out of the train. Or do you want a boete of thirtyfive euro’s? No? You don’t want that? Then I take your ticket. Buy a new one. Want I will control your ticket again in Utrecht.’

Exit conducteur. Paniekerig keek de toerist om zich heen. Maar iedereen was te druk met lezen, naar buiten kijken of zich slapend houden. En ik zat een beetje te ver weg. Dus ik ben ook een hufter.

In de wachtkamer

‘Zitten we allemaal te wachten op een fotootje?’, gilde de donkerharige mevrouw in het ontdekkingsreizigershesje toen ze de wachtkamer binnenkwam. ‘Ik ben net kloar’, lachte de grijzende man met de bollende buik en de stok naar mijn buurvrouw. ‘Je had je been gebroken hè?’, zei die. ‘Is het dan nou weer allemaal goed?’ ‘Dat zal de foto wel uitwijzen’, zei de man, ‘maar volgens de dokter is het goed.’ ‘Maar je ken toch zelf het beste voelen of het allemaal weer lekker sit?’, riep de buurvrouw verbaasd. ‘Jaja’, mompelde de man, ‘selluf denk ik: dat gaat nog helemaol niet, maar ja, als de dokter zegt dat het goed is? Ik kom ook tegen de 67 an, in mei, dus we worden ook een daggie ouder hè? ‘t Hoort ‘r allemaal bij, niewaar?’  ‘Nou, as je weer over de tafel ken springen, kom je maar een bakkie doen, okee?’, riep de buurvrouw en wendde zich vervolgens tot mijn andere buurvrouw, een dikke dochter in luipaardprint die zat te wachten naast een leenrolstoel.

‘Jij sit ‘r ook al effetjes, woar?’  ‘Ja, me vader mot weer noar s’n longen loaten kijkuh’, zei de dikke dochter. ‘Dat duurt wel weer tweeënhalf, drie uur hoor. Zit je so an. En dan met dit weer, lekker klaar mee.’ Haar Utregs was mogelijk nog onvervalster dan dat van mijn buurvrouw. ‘Zit jij ook te wachtuh op een fotootje?’ ‘Ik wach’ op me man’, antwoordde de buurvrouw. ‘Die donderde gisteren in enen van de trap. Hij zit altijd te timmeren daarboven, dus ik dach’, d’r sal wel een blokkie hout naar beneden kommen. Maar nee hoor, lag ‘ie doar met z’n twee meter op dat overloopie. En maar schreeuwen hè? “Me rug, me rug!”, riep t’ie steeds maar. Ik schrok me naar joh. Want ja, wat ken je doen? Hij is twee meter, 120 kilo en ik mankeer zelf ook het één en ander, dus die til je niet zomaar op, woar? Ik bedoel, we worden allemaal een daggie ouder, niet? Nou ja, toen he’k ‘m eerst alles laten bewegen en toen dach’ ik: as ik ‘m eerst maar es dat bed in krijg. Dat ‘ie ken liggen. Dan kunnen we weer es verder kijken. Want om nou 112 te bellen, da’s ook weer zo wat, woar? En we hebben laminaat op de slaapkamer, dus toen heb ik ‘m getrokken. Ging prima. Gelukkig kon ‘ie zelf in bed goan liggen, en toen he’k de dokter gebeld. En nu mot ie dus even een foto laten maken van die rug.’

‘Oh ja’, verzuchtte de luipaardprint. ‘As me vader zou valluh sou ik ‘m ook egnie overeind krijgen. Je hep ‘m gesien, hij weeg’ 130 kilo. En zo benauwd as een maleier. Een buurvrouwtje van me moeder krijg’ tenminste zuurstof, maar ze laten hem gewoon creperen. Belachelijk is het. Hij gaat se moeder achterna hoor. Die ging naar de camping, weet je wel, met d’r zuster en die is toen gestikt.’

‘Ach’, zei de buurvrouw, ‘dat zijn nare dingen hè? Maar hij ging anders wel lopend de röntgenkamer in!’ ‘Joajoa’, antwoorde de dikke dochter, ‘dan mot ‘ie weer indruk maken op de zusters hè? Maar je sel sien hoor, straks komp’ íe naar buiten en dan staat ‘ie te hijgen als een trekpaard. En dan ken ik ‘m weer duwen hoor.’ ‘Komp’ ie dan ook niet meer buiten?’, vroeg de buurvrouw. ‘Ik sien ‘m nooit weer op z’n brommer’. ‘Nee joh, daar ken ‘ie allang niet meer op’, riep de dochter. ‘Hij hep nou een scootmobiel, moar die gebruik’ ie nauwelijks. Hij is veel te dik joh.’

De deur van de röntgenkamer ging open en daar stond vader. Een buik als een te hard opgeblazen skippybal, in korte broek en hemd en vol tatoeages. En zoals zijn dochter al voorspelde kon hij zijn ene voet in witte sportsok en Adidasslipper niet meer voor de andere zetten. Gauw hees zijn dochter hem in de rolstoel en blies de aftocht naar een andere afdeling. Want zijn ‘gastrotechnodingesprikken waren ook nog misluk’, dus dat zou wel weer vloekuh worden’. En vloeken werd het.

Nu wendde mijn buurvrouw zich tot mij. ‘Kind’, zei ze, ‘je kijk’ je ogen uit hè? Ik zie het aan je. Jaha, ‘t zijn allemaal echte Utrechters hoor, die je hier ziet. Ik kom oorspronkelijk uit Sterrenwijk hoor, maar deze mensen komen allemaal uit Wijk C. Dat was niks hoor, vroeger. Ik mocht daar niet komen. “Tot aan de C&A en niet verder hoor!”, sei me moeder dan. Neuh, dat was niks hoor, Wijk C. En weet je wat ze dan zei’en? “Ik kom uit het centrum.” Uit het centrum! Beetje dikdoenerij! Maar nu is Wijk C wel leuk hoor, met al die leuke jonge mensen, enig. En hier zie je mekaar dan allemaal weer terug hè? Want ja we worden een daggie ouder en dan mankeer je nog wel es wat. En dan hoor je veel hoor! Ik zeg altijd maar: ga hier een middagje zitten en je ken een heel boek schrijven.’

Een blog is al een mooi begin.

De jeugd van tegenwoordig

Ik heb al uren plezier vandaag. De schilder van de achterburen staat namelijk al de hele middag luidkeels mee te zingen met zijn bespetterde draagbare radiootje en potdomme, wat heeft die man een lekkere stem. Okee, hij heeft 100% NL op staan, of een vergelijkbare zender met Nederlandstalige kutmuziek, maar toch, ook zijn vertolkingen van Frans Bauer, Gordon en Koen Wauters zijn een lust voor het oor. Ik word er vrolijk van, zijn gezang past bij de mooie lentedag die het vandaag is. Bovendien vind ik het mooi om te zien hoe lekker hij zijn werk vindt. Want anders zou je toch niet zo hard zingen? Geruststellende gedachte.

Maar toen kwamen de buurjongetjes uit school. Vermoedelijk ook geïnspireerd door de zon stortten zij zich vol overgave op het bouwen van een hut in de tuin. Leuk. Aandoenlijk ook. Deed me denken aan vroeger, ofschoon ik nooit een hut in de tuin heb gebouwd. De buurjongetjes hoorden de schilder ook kwelen. Maar in tegenstelling tot mij, moesten zij er niks van hebben. ‘Hee man, hou es op joh!’, hoorde ik ze ineens brullen. En toen ze niet meteen antwoord kregen gilden ze: ‘Wat heb ik nou gezegd, ophouden!’ Ze hebben blijkbaar geen leuke ouders, of daar in ieder geval iets te goed naar geluisterd. Want echt, een paar seconden later hoorde ik het aloude en oerbekende: ‘Ik tel tot drie… en dan hou je op! Eén, twee, drie!’

Nou vraag ik je!? Waar bemoeien die snotjongens zich mee? Laat die man lekker zingen! Gedraag je als een kind en niet als een te wijze volwassene in een te klein lijfje! Ken je plaats! En brul al helemaal niet: ‘En ik wil ook niet dat je fluit, potverdomme’, toen de schilder uiteindelijk zijn gezang staakte en overging in een prachtig gefluit. En denk maar niet dat er een moeder naar buiten kwam om die kutkinderen terecht te wijzen. Natuurlijk niet. De prinsjes die de jeugd van tegenwoordig zijn. En ik word oud. Denk ik.