Hoe mijn artikel ineens niet meer mijn artikel was

ArtikelAFDPVV010416Het was zwoegen op de redactie, de afgelopen twee weken. Omdat ik nogal verbaasd was over de heftigheid waarmee er in (links) Duitsland in het algemeen, maar hier op de redactie in het bijzonder, werd gereageerd op de overwinning van de AfD tijdens de deelstaatsverkiezingen in maart, stelde ik voor om een artikel te schrijven over de AfD en de PVV. Om een vergelijking tussen beide partijen te maken. Uit een soort empathie met mijn collega’s ook, om ze te laten zien dat wij in Nederland al tien jaar dealen met Wilders en consorten en dat dat in het begin ook echt lastig was, maar dat het land nog steeds overeind staat en de Nederlanders niet met geheven rechterarm over straat gaan. Want ja, de PVV is populistisch, anti-Islam, rechts en bij vlagen zelfs extreem-rechts en Wilders zegt soms ook echt heel rare dingen die ik hier nauwelijks uitgelegd krijg (‘Minder, minder, minder’), maar bij heel gevaarlijk en rechtsextremistisch, zoals ze hier denken dat de PVV is, denk ik toch eerder aan de neo-nazi’s en sommige lieden van Pegida, of aan Constant Kusters en de Nederlandse Volksunie dan aan Wilders.

Aldus geschiedde. Ik mocht het stuk schrijven, want ze vonden het razend interessant. Een vergelijking was alleen wellicht niet het beste idee, misschien kon ik beter opschrijven hoe er in PVV- en Front Nationalkringen werd gereageerd op de overwinning van Frauke Petry en haar partij. Daarvoor hoefde ik niet de Franse correspondent lastig te vallen hoor, ik kon dat ook wel op Google vinden. Ik besloot echter wel de Franse correspondent te mailen, want wie weet zulke dingen nou beter dan de vrouw ter plaatse? En zij kwam meteen met heel veel info en vond het heel bijzonder dat ik dit ging opschrijven, want: ‘het is een heel spannend thema’.

Een dag later kreeg ik te horen dat ze toch liever een vergelijking wilden tussen AfD, PVV en Front National, alle drie rechtspopulistische partijen die erg succesvol zijn de laatste tijd. Op eigen houtje besloot ik me dan toch vooral op AfD en PVV te richten. Ik ben tenslotte Nederlandse gastredacteur bij de krant en dus leek me dat wel te verkopen. Ik interviewde professor Axel Hagedorn, die zelf al eens een vergelijking maakte tussen AfD en PVV en zocht een goede Duitse politicoloog die me meer kon vertellen over het thema. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Want ze willen hier het liefst Grote Namen in de krant, en die wisten nou net even niks over de PVV en de mensen die in mijn ogen wel interessante dingen zeiden, waren niet bekend genoeg. Uiteindelijk had ik toch een aantal ‘interessante Zitaten’ verzameld en kon het grote schrijven beginnen. Of beter: het grote sterven.

Want allemachtig, wat is het moeilijk een artikel te schrijven in een taal die je niet goed machtig bent. Zeker zo’n analyse-achtig stuk als ik wilde maken. Daarvoor moet je goed nadenken, verbanden trekken, met een doorwrocht betoog komen. En dat is dus heel lastig als je in het Nederlands denkt en in het Duits schrijft. Gelukkig hadden zowel Hagedorn als de Duitse politicoloog mij hun analyse per mail gestuurd, in het Duits – dus daar kon ik in ieder geval al niet meer nat op gaan. Nu het betoog nog.

Na vijf werkdagen zwoegen was het af. Er stond een aardige vergelijking tussen AfD en PVV, waaraan ik weliswaar bijna was gestorven, maar waarop ik toch vrij trots was. De redactiechef was ook tevreden, we keken het samen na, ze verbeterde wat taal- en grammaticafouten, schreef sommige zinnen wat levendiger op (want tja, voor native Duitsers moet mijn betoog eruit hebben gezien als een opstel van een 8-jarige) en gaf er een stevige klap op. Klaar, woensdag in de krant.

En toen werd het woensdag. En belde de hoofdredactie in Düsseldorf. Hartstikke leuk, dat stuk van de Holländerin, maar het zou wel fijn zijn als ik ook Front National en de Oostenrijkse FPÖ nog in mijn stuk kon opnemen. Voor het grote Europese gevoel. Want tja, de lezer is nou eenmaal niet geinteresseerd in alleen Nederland. En kon het om 17 uur af?

De redactiechef was er niet om me te redden of bij te staan. Ik besloot me niet te laten kennen en zo goed en kwaad als het ging prutste ik in steenkolen-Duits nog wat info en niet-gebruikte citaten in mijn stuk, dat er ineens een stuk minder evenwichtig uit kwam te zien. Om 15u moest het af, want dan had mijn collega tien minuten om er nog eventjes doorheen te lopen.

Het werden de tien langste minuten van de week. Of eigenlijk werden het er dertig. Dertig minuten waarin ik het afwisselend warm en koud had, net niet moest huilen en van binnen heel erg woedend werd, dertig minuten waarin ik moest lachen en bijna kotsen. Want de helft van mijn artikel verdween. Rücksichtslos. Waar ik bij zat. CTRL, ALT ééééén DEL! Want het was niet echt een analyse die ik had geschreven. Want er zat geen stelling in. En bovendien waren de citaten van de deskundigen wel erg gratuit en nietszeggend. En er zat dus geen stelling in het stuk, die ik gaandeweg zou onderschrijven. En het was echt quatsch hoor, wat die deskundigen daar zeiden. Echt quatsch.

Ik kon even niets anders dan naar adem happen en stil toekijken hoe mijn collega uit haar hoofd even een anayse met stelling over AfD, PVV, FN en FPÖ optikte. In een razend tempo, want ze had natuurlijk helemaal geen tijd om dit allemaal te moeten doen. Ik stamelde nog dat de redactiechef heel tevreden was over mijn eerste stuk en of we dat dan misschien niet beter zo konden laten als er geen tijd was voor iets nieuws, maar nee: zo kon het echt niet in de krant, en al helemaal niet op de belangrijke Seite 2.

Ah. Daar was dus iets mis gegaan, want ik was nog altijd in de veronderstelling dat ik een zogenaamde driekolommer schreef voor ergens verderop in de krant. En dat dacht de redactiechef vast ook. Hoopte ik. Maar die Seite 2, ja. Dat was wel even andere koek. Maar toch. Mijn halve artikel, waaraan ik dus vijf dagen had gewerkt en waaraan ik dus bijna was gestorven (had ik dat al gezegd?), was dus zomaar verdwenen en daarvoor in de plaats stond een tekst van iemand anders. Met mijn naam erboven, want dat had ik verdiend. Ik had er tenslotte zo hard aan gewerkt. Ammehoela, dacht ik. Je wil gewoon je eigen naam niet boven zo’n slecht stuk.

Overigens moet ik wel eerlijk zeggen dat deze drastische collega niet onaardig is geweest of naar of lullig, alleen een beetje eh… extreem. En gespannen door de deadlinestress, want ze schrijven hier gemiddeld zo’n drie stukken per persoon per dag. Maar het voelde toch een beetje raar dat ik op vrijdag op wolkjes het pand uit ging, want ik hat es geschafft een artikel auf Deutsch te schrijven en dat was ook nog goedgekeurd, en een paar dagen later alleen de laatse anderhalve kolom van dit stuk terug vond in het daadwerkelijke verhaal. Waar mijn naam dus boven stond.

De complimenten van de hoofdredacteur heb ik dus maar heel even voor lief genomen, al vond de hele redactie hier dat ik die toch echt zelf verdiend had. Voor mijn volgende stuk, een analyse van de teloorgang van de sociaal-democratie in Europa, ingezoomd op SPD en PvdA, heb ik toch maar om een intensieve samenwerking gevraagd met de collega die de SPD-portefeuille onder zich heeft. Want dit overkomt me niet nog een keer, ook al zal mijn naam nu nooit meer glorieus in haar eentje boven een stuk op de Seite 2 prijken.

Wil je het stuk lezen trouwens? Want het is wel echt de moeite waard. Kijk dan even onder ‘Artikelen’ of klik hier.

Artikelen – in het Duits ja

Op dit moment zwoeg ik op een artikel over de overeenkomsten en verschillen tussen de AfD, de PVV en het Front National. Best pittig, zeker in het Duits. Het is vooral moeilijk in het Duits na te denken, terwijl eerst in het Nederlands schrijven en het dan vertalen weer zo’n gedoe is. En het onderwerp is ook niet bijzonder eenvoudig, vind ik. Maar hoe het ook allemaal zij: aanstaande donderdag staat het hopelijk in de krant. En dan ook hier, zodat jullie daar in Nederland ook mee kunnen lezen.

Artikelen uit Berlijn.

Pasje

bundespresseIk kreeg vandaag een spannend pasje. Hiermee mag ik alle gebouwen van de Bondsdag in. Ik haalde het pasje op in een kantoortje dat er speciaal was voor de zogenaamde ‘Presse-akkreditierungen’. Dat kantoortje bestond uit twee kamers. In de linker kamer zat een geblondeerde dame met blauwe oogschaduw achter een bureau met plastic bloemen erop. Op haar deur stond ‘Presse-akkreditierung A-K’. Aan de overkant van de wachtruimte lag een zelfde soort kamer met daarin een donkere dame met een grote bril achter een bureau met een Alpenkalender erop. Op haar deur stond ‘Presse-akkreditierung L-Z’. Ik maak geen grap.

Ik moest bij de blonde dame zijn. Op haar bureau stond een grote houten bak met daarin ontelbaar veel kaartjes. De kaartenbak. Daaruit haalde ze het kaartje met mijn naam. Daarmee ging ze naar een grote metalen kast met daarin ontelbaar veel hangmappen. Uit één van de hangmappen haalde ze een formulier met daarop mijn gegevens. Daarmee ging ze naar haar grote computer waar een muismat naast lag met daarop een poes. Ik maak geen grap.

Er was ook een RSI-toetsenbord. Nadat ze haar leesbril had opgezet die aan een kettinkje op haar angora boezem lag, tikte ze daar iets op in. Daarna moest ik op een krukje gaan zitten en maakte ze met een hypermoderne webcam een foto van mijn hoofd. En toen kwam er ineens uit een printer een rood pasje gerold. Ik had dat eerlijk gezegd niet verwacht. Ik dacht dat ik met een zelfgestempelde ponskaart in een plastic hoesje de deur uit zou lopen. Viel het allemaal toch nog mee. Net als de foto.

Toen ik trouwens vroeg of er dagelijks veel mensen kwamen voor een persaccreditatie, vanwege de gescheiden kantoortjes, was het antwoord: de ene dag wel en de andere dag niet. Okee.

Oh ja, ik schreef vandaag ook mijn eerste stukje. Dat vind je hier. Morgen staat het ook in kortere versie in de krant. En als je denkt: wat kan dit meid Duits schrijven, dan komt dat vooral omdat het een heel goed persbericht was en een leuke persconferentie. Waar ze broodjes met zalm serveerden. En omdat ik een aardige collega heb die de boel een beetje nakeek.

Eerste werkweek in Berlijn

We zijn er. Een week al IMG_7345zelfs. En ik zou eigenlijk elke dag een blogje moeten schrijven, want er is zoveel te vertellen. Want er is zoveel te zien. En ik heb al zoveel beleefd. Maar laat ik beginnen met het werk, want daarvoor ben ik tenslotte naar Berlijn gekomen.

Maandagochtend 7 maart om 9u meldde ik me braaf op het Berlijnse kantoor van de Rheinische Post, Antal en de kinderen achterlatend in een fijn, maar volledig op zijn kop staand appartement in Prenzlauer Berg – we waren nog geen elf uur daarvoor aangekomen. In dat kantoor bleek niet de stadsredactie van de krant te huizen, zoals me was voorgespiegeld, maar de parlementaire redactie. Dat betekent dat ik me niet bezighoud met mooie verhalen maken over Berlijn, maar met louter politieke zaken. Even slikken en weer doorgaan, zou Marco Borsato zingen.

Het betekent wel dat ik nu alles weet over de deelstaatsverkiezingen in Baden-Württemberg, Sachsen-Anhalt en Rheinland-Pfalz van morgen, die niet meer om de regionale thema’s gaan, maar louter om Merkel en haar vluchtelingenpolitiek. Gaat Merkel verliezen met haar CDU, of hebben de mensen nog vertrouwen in haar? De Duitse collega’s hebben het bijna niet meer van de spanning, in ieder geval. En ik moet zeggen dat ik toch ook wel benieuwd ben naar de uitslag en de gevolgen. Zo zie je maar.

Het grootste deel van mijn parttime (!) werkweek ging echter op aan het aanvragen van interviews met premier Rutte (2x), minister Koenders, Eurocommissaris Timmermans en PVV-leider Geert Wilders. Jawel. Voor minder doen we het niet, moeten mijn tijdelijke collega’s gedacht hebben. Nu we een Holländerin in der Redaktion hebben, zullen we er ook alles uithalen. Prima, ik ben natuurlijk de beroerdste niet, maar heb ze wel even duidelijk gemaakt dat ik dit niet elke week opnieuw zal herhalen. En dat de kans minimaal is dat één of meerdere heren zal toehappen, zoals deze week al bleek. Vinden ze toch maar lastig aan te nemen. Ik zal eens vragen of het een van de Duitse journalisten in Nederland al gelukt is om een interview met Merkel te regelen.

Het uitje van de (werk)week was een bezoekje aan de Bundespressekonferenz, een persconferentie georganiseerd door de Duitse parlementaire pers, waar de woordvoerders van alle ministeries drie maal per week aanschuiven om de agenda van de desbetreffende minister door te nemen met de pers en om, vooral, ondervraagd te worden over alle prangende ministeriële kwesties. En daar wordt ook uitgebreid de tijd voor genomen. Een superhandig systeem, dat pers en woordvoering een hoop (onbeantwoorde) telefoontjes tussendoor kan schelen. Ik stel voor dat Nieuwspoort zoiets ook gaat instellen. Ik zou komen.

En ja, ik werk dus parttime. Drie dagen van 9 à 10 uur. Dat bleek na een beetje gedoe aan het begin, totaal geen probleem. En dat is maar goed ook, want hoewel ik volgens mijn collega ‘schon fliessend Deutsch’ spreek (want pertinent onjuist is overigens), vind ik het nog behoorlijk vermoeiend, zo’n vreemde taal. Neem daarbij dat ik werk moet doen dat ik in Nederland ook niet dagelijks doe en zo’n eerste week op een nieuwe plek sowieso best heftig is en de puzzel is compleet. Ik lig dus elke avond voor tienen gestrekt. Ach, we hebben toch nog geen oppas.

Binnenkort meer over de Duitse manier van journalistiek bedrijven (roepen waarover je iets gaat schrijven, één telefoontje plegen, een half uur op je toetsenbord rammelen en klaar), maar ook nog stukjes over Stolpersteine, acht trappen en twee kinderen en de weg vinden zonder Wifi.

Teilzeitarbeit

rpWe gaan dus naar Berlijn. In de lente. Hoe fijn is dat? Ik ben geselecteerd voor het Journalistenstipendium van het Duitslandinstituut en mag in dat kader twee maanden lang ervaring opdoen op een nieuwsredactie in Duitsland. Even was er sprake van dat ik naar Leipzig zou gaan, om te werken bij de radio, maar het lot was me goed gezind en dus wordt het mijn geliefde Berlijn. En dan mag ik ook nog naar de krant, de Rheinische Post om precies te zijn. Dat vind ik heel leuk, want nu kan ik de ervaring die ik al heb met krantenwerk, verbreden en verdiepen – om het maar eens in sollicitatiebrieftermen te zeggen.

De voorbereidingen voor vertrek zijn in volle gang, want we gaan met zijn allen. En een gezin verhuis je niet zomaar – ook niet voor slechts twee maanden. Dus schroeven we bedjes en boxen uit elkaar, mesten we klerenkasten uit en ruimen we de zolder op. Want ons huis in Nederland is ook nog eens verhuurd. Volgende week begint de taalcursus in een kasteel in Limburg en moet dus alles klaar zijn. Want daarna vertrekken we meteen. Ik slaap er slecht van.

Niet in de laatste plaats omdat het fenomeen ‘parttime werken’, oftewel Teilzeitarbeit niet heel bekend lijkt te zijn in het Duitse bedrijfsleven, zo hoorde ik van een Duitse medestipendiaat. Want op mijn vraag aan de krant hoe het eigenlijk zat met de werkuren en -tijden, kreeg ik mail terug met daarin de glazige vraag wat ik eigenlijk bedoelde met: ‘Bij de NOS werk ik 28 uur per week’. Bij de Rheinische Post werkt men namelijk ’40 Stunden pro Woche plus Überstunden’. Iedereen. En ik dus ook. Oh.

Gelukkig leek de assistente van de hoofdredactrice wel gevoelig voor mijn argument dat ik toch wel erg graag minimaal een dag per week voor mijn kinderen wil zorgen, zoals ik ook in Nederland gewend ben. Dus ze gaan mijn Teilzeitarbeitsversuch nu intern klären. Benieuwd wat het oplevert. Misschien wel een vleugje Hollandse emancipatie over de burelen van de Duitse Rheinische Post.

In de container

PlacentaSlice-300x223‘En, wat willen jullie met de placenta?’, vroeg de verloskundige vlak na de geboorte van onze dochter. Ik lag nog gelukzalig naar haar te kijken, maar werd door deze vraag onmiddellijk terug op aarde geworpen. Mijn geliefde en ik keken elkaar aan. Wat we met de placenta wilden? Eh…?

Toen ik ruim tweeënhalf jaar geleden beviel van onze zoon, in het ziekenhuis, hoefde ik daar helemaal niet over na te denken. Mijn moederkoek ging ‘gewoon’ mee met het medisch afval. Prima. Dat hele ding kon me ook niet zoveel schelen, al was ik blij dat ik ‘m even had kunnen bestuderen en kon zien hoe vernuftig de natuur deze energieleverancier gemaakt had.

Maar deze keer beviel ik thuis, in mijn eigen bed, en ‘moesten’ we dus iets met de placenta. ‘Je zou ‘m kunnen begraven’, opperde de verloskundige. ‘Of opeten!’, geinde de kraamhulp. ‘Zijn er echt mensen die dat doen?’, vroeg ik ongelovig. Zowel kraamhulp als verloskundige waren nog nooit placentaeters tegengekomen, maar ze ontmoetten wel regelmatig mensen die de moederkoek in de tuin begroeven, en er een geboorteboom bovenop zetten.

Ik vond het wel een mooi idee. Maar onze nieuwbouwtuin was nog één grote bonk klei met onkruid; graven was überhaupt niet aan de orde, zelfs niet voor de placenta die onze dochter in leven had gehouden. En eigenlijk vond ik het ook een beetje zweverig. Net als de optie om de placenta gewoon met navelstreng en al aan onze dochter te laten zitten, net zo lang tot ‘ie vanzelf af zou vallen. Een lotusgeboorte noemen ze dat. Tja.

Je kunt ook pillen laten draaien van je moederkoek. Die schijnen goed te werken tegen een postnatale depressie. Wie liever iets tastbaars overhoudt aan de placenta, kan ‘m laten verwerken in een sieraad. Bijzonder, maar meteen weer zoveel gedoe. Want waar bewaar je ‘m in de tussentijd? Tussen de bevroren erwten en broden in de vriezer?

‘Gooi ‘m maar gewoon weg hoor’, lachte ik dapper naar de kraamhulp die nog altijd het teiltje moederkoek vast had. ‘Okee’, zei ze. ‘Dan verpak ik ‘m in meerdere vuilniszakken, want anders gaan er katten mee aan de haal.’ Wacht even, katten!? Mijn geliefde en ik keken elkaar weer even aan. Dat was toch wel een beetje in-our-face, zo. Een placenta weggooien is blijkbaar niet zo eenvoudig als het lijkt. Moesten we dan niet toch…? Nee, we bleven bij ons standpunt. Weg ermee.

En daar ging ‘ie. Verpakt in diverse plastic zakken verdween het ding dat onze dochter negen maanden lang in leven hield in mijn buik, pardoes in de grote bouwcontainer voor onze deur. Want ondergrondse vuilcontainers, die zijn er nog niet in onze nieuwbouwwijk. Daar lag ‘ie, tussen de houten balken, kartonnen dozen en piepschuim platen. En de volgende dag kwam de grote grijparm van de gemeente en die nam onze placenta mee. Naar de vuilnisbelt.

Ik stond voor het raam en keek ernaar. En moest even heel hard slikken. Want het was ineens toch heel erg een stukje van mij en mijn kind, dat daar met zoveel bruut geweld werd opgeruimd. Heel even wenste ik dat ik mijn placenta toch had begraven. Tja.

(N.B. Het stukje placentafilet op het plaatje is dus niet van mij!)

Met een artikel in Ouders van Nu

Kijk, zwanger zijn is gewoon niet altijd superleuk. Zo zit ik sinds deze week verplicht thuis, omdat onze aanstaande dochter heel even haast leek te krijgen. Gelukkig was het vals alarm, maar in het kader van better safe than sorry houd ik me nu koest.

Gelukkig leverde mijn zwangerschap me tot nu toe ook heel leuke dingen op. Mijn verloskundigenpraktijk doet aan Centering Pregnancy, een vorm van verloskundige zorg die is overgewaaid uit Amerika en die heel erg uitgaat van de kracht van de vrouwen zelf. Dus kom ik elke twee weken samen met tien andere vrouwen die rond dezelfde tijd zijn uitgerekend om onszelf aan de hand van thema’s en onder leiding van een verloskundige bezig te houden met en voor te bereiden op zwangerschap en bevalling. Heel leuk, informatief en gezellig. En ook zakelijk interessant, want ik mocht er een artikel over schrijven voor Ouders van Nu, toch niet het meest onbekende ouder- en opvoedblad van ons land.

Het nummer met daarin mijn artikel ligt nu in de winkel. Hier alvast een voorproefje, de PDF van het hele stuk volgt later onder ‘Artikelen’.

dikke buiken