Een heel jaar voor je

En nu is het dus 2017. Een jaar dat ik half slapend begon, want sinds ik kinderen heb, blijf ik nog maar met moeite tot middernacht wakker. Tenzij ik aan het werk ben, dan. Zelfs de spanning van Stranger Things, een doodenge Netflixserie over een jongetje dat zomaar verdwijnt, kon me nauwelijks wakker houden. We keken om twaalf uur met een slaapdronken kleuter naar het vuurwerk en lagen om half één in bed. Saai, maar heerlijk.

Maar nu dat jaar 2017. Ik zie er nogal tegenop. Want het is een jaar waar ik een hoop van moet (gaan) vinden. Donald Trump gaat regeren. Er zijn verkiezingen in Nederland, Frankrijk én Duitsland, waarbij met een beetje pech de boze witte man de boventoon gaat voeren. Het klimaat gaat naar de knoppen, de huizenmarkt raakt alweer overspannen en de oorlog in Syrië duurt maar en duurt maar – het staakt-het-vuren lijkt immers ook alweer van de baan. Ik denk dan nog maar even niet aan aanslagen, die steeds dichterbij komen. In 2017 moet Amsterdam aan de beurt zijn, toch? En dan gaat Tijn ook nog dood.

Ik steek er het liefst mijn kop voor in het zand. Ik wil helemaal niks horen over vluchtelingen in de modder, over zelfmoordenaars, over achterlijke tweets van Wilders en over appartementen van 40 m2 die voor vier ton verkocht worden aan een Rus. Ik wil geen mening hebben over die kerels in Den Haag die helemaal niks voor ons doen, over jongeren die wel gekort kunnen worden op hun pensioen omdat ze later toch een huis erven (maar dat las ik op Twitter), of over ouders die hun kind moeten missen omdat hij net op het verkeerde moment in de verkeerde nachtclub was. En ik wil al helemaal niks weten over muren op de Mexicaanse grens, hulpverleners die worden aangevallen terwijl ze iemand proberen te helpen en kinderen die zomaar ziek worden en doodgaan. Ik wil het niet. Want ik kan er eenvoudigweg niet meer tegen.

Maar het moet. Ik moet iets vinden van al deze dingen. Om een weerwoord te kunnen bieden. Om de wereld te kunnen blijven begrijpen. Om mijn kinderen uit te kunnen leggen waarom de dingen gaan zoals ze gaan. Want ze hebben al een moeder die niet kan vertellen waarom de maan soms overdag nog zomaar aan de hemel staat. Dat is al erg genoeg. En bovendien is het mijn werk, om de wereld te begrijpen en erover te berichten.

Maar vandaag citeer ik Spinvis: ‘Ik wil alleen maar zwemmen. Jippiejajee.’

 

De beide exen H. En Morrissey.

Ik heb ze wel uitgekozen, die exvriendjes van me. Allemaal muziekfreaks tot en met. Zo hield ex H. van alles, maar toch vooral van de Smashing Pumpkins, waarover hij het niet kon laten wekelijks een spreekbeurt te houden, onderwijl liefdevol het koffertje met b-kantjes en andere rariteiten aaiend. Mijn andere ex H. was echter groot fan van The Smiths. Daar had ik toentertijd niet of nauwelijks van gehoord. Nou ja, Bigmouth Strikes Again kwam regelmatig voorbij bij de Arbeidsvitaminen en dat vond ik wel een lollig liedje, zeker door dat grappige stemmetje erbij. Bovendien deed het me ernstig aan de jaren tachtig denken, ik zag mezelf weer op mijn driewieler door de huiskamer rijden en dat was fijn, want ik ben nogal nostalgisch.

En toen kwam dus ex H. De eerste. Met zijn enorme voorliefde voor The Smiths. Hij had alles van The Smiths. Cd’s met a- en b-kantjes, concertregistraties op dvd en alle extra’s die ooit waren uitgekomen. Hij had alleen geen posters en merchandise. Geloof ik. Maar misschien heb ik dat ook bewust verdrongen. Enfin. Het mooie van ex H de eerste was vooral dat hij eigenlijk een hekel had aan Morrissey, de zanger van The Smiths. Diep in zijn hart vond H. Morrissey een over het paard getilde, arrogante eikel die niet eens per se zo’n mooie stem had. Maar ja, het totaalplaatje hè?

Ik was vooral verbaasd. Over de grote liefde die mannen kunnen opvatten voor bands. Of het nu The Smiths zijn, The Cure of The Smashing Pumpkins, Nirvana, Queen of U2 voor mijn part: mannen zitten er, als ze er echt voor gaan, helemaal van top tot teen in. Dat hebben wij vrouwen niet. Wij verzamelden braaf posters, plaatjes en cassettebandjes van Take That en Boyzone, maar toen we eenmaal 18-plus waren, was dat heel snel afgelopen. Wij verzamelen niet meer, wij kopen gewoon wat we leuk vinden en kunnen daar al helemaal geen spreekbeurten over houden. We weten nauwelijks wie de zanger is van het bandje dat we hebben opgezet.

Toch ben ik door ex H. II veel meer van muziek gaan houden dan ik daarvoor deed. Veel en veel meer. Ex H. II heeft mij laten zien wat echte liefde is. Voor muziek. En ex H de eerste heeft ervoor gezorgd dat The Smiths voor altijd op mijn iPod staan. Ik heb The Smiths in mijn hart gesloten omdat ze me doen denken aan de tijd met ex H. de eerste in Groningen. Aan de vele uren op de bank, met cd-boekjes overal uitgespreid. Aan mijn gegaap voor de tv bij een concertregistratie waar over een paar seconden ‘echt iets heel gaafs’ zou gaan gebeuren. Aan de cd-kast waar ik eigenlijk niet aan mocht zitten. Aan onze ritjes in de auto, waarbij ik, tot zijn afschuw, uit volle borst To die by your side is such a heavenly way to die zong. Aan de heel vele keren dat het uit ging en vrijwel meteen weer aan. Ex H. is inmiddels getrouwd. En Morrissey is voor mij vooral een stijlicoon geworden. Want zeg nou zelf: willen we er niet allemaal zo uit zien als in ‘Stop me if you think you heard this one before’? Of zien we er al allemaal zo uit?

Groots en Meeslepend

Ik heb in de zomer een beetje meer gewerkt dan normaal. Dus werk ik deze maand een beetje minder. Omdat het me wel goed leek om een beetje uit te rusten, heb ik even geen freelanceopdrachten aangenomen, danwel gezocht. Ik dacht: ik ga eens even een beetje aanrommelen. Even diep ademhalen, de spanning uit de spieren laten zakken. En dan als een volledige zenne blije Neeltje door de stad fietsen, als had ik bloemen aan de bak op mijn fiets. (Die heb ik natuurlijk niet, want ik ben niet gek.)

Tot rust komen en keuzes maken, zodat ik, als de herfst begon, eindelijk kon beginnen met Groots en Meeslepend leven. Gave artikelen schrijven voor nog gavere bladen, zonder moeite de mooiste gesprekken voorbereiden voor Het Oog, in mijn eentje verre reizen maken naar onbestemde oorden, innig gelukkig op een terras zitten met een latte voor mijn neus, de kleren kopen die écht bij me passen, mijn huis schilderen. Het meisje afschudden. De volwassen vrouw binnenlaten. En dan voortdurend en altijd het gevoel hebben: ‘Ik ben in charge. Dit zijn mijn voeten en die staan op mijn grond en dat voelt alleen maar vertrouwd.’

In werkelijkheid werk ik en op de dagen dat ik niet werk doe ik niks. Ja, ik lees de krant. Ik drink een cappuccino, al dan niet met iemand in de kroeg. Ik check mijn mail, ik doe eens een (af)was en kijk eens naar buiten. Af en toe loop ik een stukje hard of lees ik een boek. Ik heb tijd genoeg om eindelijk die twee tafeltjes eens af te schilderen. Of de keuken uit te mesten. De administratie te doen. Maar ik doe het niet. Ik ben namelijk te druk met bedenken wat ik allemaal wel niet voor Groots en Meeslepends zou willen doen. Zou MOETEN doen ook vooral. Om er onmiddellijk een pracht van een excuus bij te verzinnen, zodat het nog even niet hoeft.

Ik weet namelijk niet zo heel goed wat ik wil. Ja, het moet anders, dat is een feit. Maar hoe anders? En dus wuif ik deze gevoelens gewoon weer vrolijk weg met het ‘dertigersdilemma’. Heeft iedereen, gaat vanzelf weer over.

Of moet ik wél iets gaan doen?

Antonie

Ik ken Antonie Kamerling niet. Ja, van de televisie. En van Funda, want daar stond heel lang zijn huis te koop en dat had ik best willen hebben. Toch schokte zijn dood me.

Juist vanwege dat mooie huis. Zijn fijne acteer- en muziekcarrière. Zijn vrouw en hun twee kinderen. Ik dacht eigenlijk dat Antonie Kamerling een heel fijn en gelukkig leven had. Met af en toe een dipje, okee, maar dat heeft iedereen toch weleens?

Blijkbaar waren Antonies dipjes heel diep en zwaar. En dát stemt me zo treurig: dat het leven je zo bij de kladden kan hebben, dat je het los wilt laten. Dat het zo niet meer wil, dat je daarvoor zelfs je vrouw en je kinderen wilt laten gaan.

En dan maakt het niet uit of je Antonie Kamerling bent of Jan Jansen uit Almere.

Ik word er verdrietig van, en ook een beetje bang best price for viagra 100mg. Omdat vandaag maar weer eens is gebleken dat het leven voor sommige mensen een opgave is. Dat het allemaal helemaal niet zo vanzelfsprekend is. We doen wel allemaal ons best voor een leuk huis, een leuke partner, genoeg geld en leuke dingen, maar dat maakt allemaal geen reet uit. Als het in je ziel niet werkt, heb je daar allemaal niks aan. Beangstigend.

Een gesprek

Wij  kennen Toon Tellegen eigenlijk vooral van zijn lieve en filosofische dierenverhaaltjes en van zijn kinderboeken. Maar Toon Tellegen kan ook heel mooie grotemensengedichten schrijven. Lees maar:

Waar zullen wij afscheid nemen?
In de regen
Zullen wij schuilen?
Nee!
Hoe zullen wij ons voelen?
Ziek, vals en verlegen.
Wat zullen wij zeggen?
Wij zullen het niet weten.
Wat zullen wij denken?
Was het maar gisteren, morgen of nooit.
Zal een van ons gelijk hebben?
Geen van ons zal gelijk hebben.
Zullen wij elk een andere kant op gaan?
Wij zullen elk een andere kant op gaan.
Zullen wij omkijken?
Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken

Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer
opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.

Uit: Mijn winter van Toon Tellegen, Querido (Amsterdam) 1987.

Zoiets simpels

Het is vaak zoiets simpels, het is
gemis van je stem bijvoorbeeld, geen
verhaal over landschappen meer, geen
gedoe met je was, je kleren

onaangeroerd in de kast. Het is van je handen
op zoek naar houvast de afdruk nog weten
op leuning en deurpost en je voetstappen
op het parket en de trap, dat zo willen
laten, bedenken: poetsen en wrijven
slinks de tijd verdrijven, jouw tijd

moet hier blijven. Het is
zo simpel en groot als huilen
bij meikersen, appelstroop in de schappen
en geitenkaas op het brood

Hester Knibbe
Uit: ‘Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’, (Amsterdam) 2004.

Waar ik naar verlang vandaag

een frisse zomerjurk te dragen
met blote schouders, een uitgesneden
hals en rug en vooral goed
los om de heupen
waarmee ik dan de tuin in loop
de zon schijnt warm, maar de wind
houdt het draaglijk en brengt
de jurk in beweging en dan
ben jij er natuurlijk ook die
de jurk al even mooi vindt en samen
trekken we hem uit en hangen hem
aan een tak
en liggen te kijken in het gras naar
zo’n frisse zomerjurk in een boom, daar
verlang ik het meest naar vandaag
Jo Govaerts
Uit: ‘Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’, (Amsterdam) 2004.

Dingen die voorbijgaan

Het was een heel mooi, klein oud dametje. Beige jas en schoenen, donkerblauwe pantalon en een mooie zijden sjaal om haar nek, donkerblauw met beige gestreept. Haar haar was wit en zacht en keurig gewatergolfd en ze trok een rood leren boodschappenkarretje achter zich aan de Albert Heijn in. En ineens zakte ze in elkaar. Ik kon haar nog net opvangen.

Zwaar hing ze in mijn armen, haar benen in een vreemde hoek op de koude tegels voor de schuifdeur. Ik kon niet anders dan haar neerleggen, met die benen zo raar. Haar ogen draaiden weg en ze kreunde. ‘Help me dan’, riep ik naar de omstanders, die erbij stonden en ernaar keken. ‘Help me haar goed neer te leggen! Bel een ambulance! Doe iets!’

Een oudere mevrouw maakte zich los uit de massa en knielde moeizaam naast ons neer. ‘Ik weet niet zo goed wat ik moet doen’, fluisterde ze. ‘Stabiele zijligging’, flitste er door mijn hoofd. We legden haar zo goed en zo kwaad als het ging neer, terwijl het aantal kijkers toenam.

De lippen van het kleine mooie dametje werden blauw en uit haar keel kwamen reutelende geluidjes. ‘Ik denk dat ze slaapt’, fluisterde de mevrouw, ‘ze snurkt, hoor je dat?’ Ik knikte haar toe. ‘Ik denk niet dat ze slaapt. Dit is foute boel’, zei ik, terwijl ik de witte haren van de dame streelde. Wat moet je anders, als je geen EHBO-diploma hebt?

Gelukkig kwam daar de potige tante van de klantenbalie van Albert Heijn. Ze legde haar blauwe jasje onder het hoofd van de mevrouw, die het duidelijk steeds benauwder kreeg. Ik durfde niet haar pols te voelen. Want wat als er niets meer klopte? Een ander oud vrouwtje tikte op mijn schouder. ‘Ik heb je portemonnee een beetje naast je neergelegd’, wees ze. ‘Dat ze ‘m niet stelen.’

‘Opzij, opzij’, riep ineens iemand. Een lange jongen in een strakke blauwe broek op gekleurde Nike-gympies duwde de kijkers opzij. ‘Ik ben verpleger, laat mij maar’. Hij knielde neer bij het oude dametje. Ik ging staan, want wat kon ik doen? In de weg stonden al genoeg mensen. Hij voelde wél haar pols. ‘Foute boel’, mompelde hij en daar ging hij. Reanimatie.

Het lukte. Het dametje reutelde opnieuw en begon langzaam weer te ademen. Haar hart bonkte snel, meldde de jongen. Ik trok me terug achter een pilaar. Wat kon ik doen? De dame werd weer op haar zij gelegd. Voor twee minuten. Toen liep ze blauw aan en begon het reanimeren opnieuw.

En toen was daar eindelijk de ambulance. Levens redden gebeurt niet met zachte hand, zoveel werd me duidelijk. Ik stond stilletjes in een hoekje en kon alleen maar denken aan de echtgenoot van het mooie, oude dametje, dat nu met ontbloot bovenlijf en een slang in haar keel op de stoep voor de Albert Heijn lag. Ze had een groot litteken op haar buik en heel kleine tietjes. Dat je dat dan ook weer registreert.

Ze ging vast even een vers brood halen voor haar Henk, of een lekker stukje kaas. Of misschien wel andijvie en een gehaktbal voor vanavond. Henk, die haar inmiddels wel thuis verwachtte en misschien zou ijsberen voor het raam, af en toe kijkend of zijn liefje al de hoek om kwam. Maar zijn liefje kwam niet. En ze komt ook niet meer. Want het was overduidelijk foute boel.